Platform voor buurtontwikkeling

Wijkaanpak van de toekomst

Acht uitdagingen voor de gemeenten
Wijkaanpak van de toekomst

Foto: Ram Khartik (Flickr Creative Commons)

Reportage
 
9 april 2018

In verschillende gemeentes wordt nog druk onderhandeld over de mogelijke coalities. Welke dringende kwesties moeten zij snel oppakken om wijkaanpak toekomst-proof te maken? Lees hier de sleutelkwesties waarmee ze aan de slag moeten.

 

 

Met de raadsverkiezingen in het vooruitzicht, ging Henk Krijnen namens Buurtwijs op zoek naar de staat van de wijkaanpak in drie grote gemeentes. Hij ontdekte dat er veel aandacht is voor de wijk (veiligheid, sociale cohesie), maar weinig voor de wijkaanpak.

Bestuurlijke keuzes en strategische dilemma’s bleken mondjesmaat ter sprake te komen en van een breed politiek debat over de wijkaanpak bleek op lokaal niveau geen sprake te zijn. Sterker nog: een consistent idee over politiek-bestuurlijke ondersteuning van de wijk of de buurt, en een slagvaardige uitvoering daarvan ontbreken. Deze acht sleutelkwesties blijken daarom snel opgepakt te moeten worden.

1. Collectieve wijkontwikkeling

Lokale bestuurders en praktijkwerkers signaleren dat (door bezuinigingen) de laatste jaren forse gaten zijn geslagen in de lokale sociale infrastructuur. Lang niet alle wijkbewoners worden voldoende bereikt en de veerkracht van wijken staat onder druk. Voor collectieve wijkontwikkeling lijkt een steviger professioneel fundament nodig.

Hebben lokale politici de durf hierin meer te investeren, met als risico ervan beticht te worden dat de individuele hulpverlening, buurtzorg en burgerinitiatieven daarvan de dupe zijn? Troefkaart is dat gewezen kan worden op de positieve sociale en financiële ‘inverdieneffecten’ van collectieve wijkontwikkeling op de langere termijn.

2. Politieke en ambtelijke cultuur

Zodra het over de wijkaanpak gaat, komen lokale politici in de verleiding om zich - gedreven door hooggestemde idealen - gedetailleerd met de inhoud van het beleid te bemoeien. De wijkaanpak is hier meestal niet bij gebaat. Zou het beter zijn als wethouders de ruimte krijgen (en nemen!) om – samen met de mensen uit de wijk en de ambtelijke staf - doordachte plannen op te stellen om na verloop van tijd op globale wijze verantwoording aan de raad af te leggen?

3. Lerend vermogen

Precieze meetbaarheid van de opbrengsten van wijkgericht werken is een illusie, er is een groot verschil tussen ‘output’ en ‘outcome’. Daar zijn velen inmiddels wel van doordrongen. Het risico bestaat dat er een overdosis aan losse projectjes wordt gedraaid - zonder zicht op samenhangende uitkomsten met een langdurig effect.

In plaats van op een verkrampte wijze de output te meten, kunnen politici, bestuurders en wijkwerkers samen criteria opstellen aan de hand waarvan de resultaten van het wijkgericht werken over een langere periode in beeld kunnen worden gebracht en getoetst.

4. Beleidscontinuïteit

Er is een uitgesproken behoefte aan borging, verduurzaming en impact. Communis opinio is: beleid vraagt om een lange adem. En om vertrouwen in de uitvoerders. Een veelgehoorde hartenkreet is: geef de mensen in de wijk de ruimte en verschaf managers en ambtenaren om hen heen rugdekking.

Dit sluit niet uit dat er wel degelijk ook een afweging plaatsvindt in hoeverre de gestelde (politieke) prioriteiten daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Het ruimhartig schenken van vertrouwen én het kritisch nagaan wat de politieke opbrengst vergt enige stuurmanskunst, maar is zeker mogelijk.

5. Geldstromen

Lokale bestuurders en wijkwerkers kunnen zich bij het opstellen van plannen sterk maken voor het bundelen van middelen en menskracht. Ook kunnen de activiteiten zo gekozen worden dat ze elkaar versterken en tot synergie leiden. Soms is het zelfs mogelijk om ‘inverdieneffecten’ van collectieve wijkontwikkeling zo te begroten dat op andere begrotingsposten kan worden bespaard. Denk bijvoorbeeld aan het samen met bewoners uitvoeren van het groenbeheer of aan het opzetten van collectieve zorgarrangementen. Een belangrijk motto lijkt hierin: timmer niet alles dicht in strakke financiële kaders, maar bied vrije (bestedings)ruimte.

6. Toekomstgericht handelen

Het zou goed zijn als er meer evenwicht komt in de verhouding tussen ‘harde’ en ‘zachte’ krachten in de wijk. Door de sociale en fysieke dimensie beter op elkaar te betrekken, krijgt het proces van collectieve wijkontwikkeling meer body. In de toekomst kan al bij het opstellen en uitvoeren van bouwplannen rekening worden gehouden met investeringen in de sociale infrastructuur. De lokale overheid kan hierin het voortouw nemen en zelfs normen stellen.

Toekomstgericht denken vanuit de wijk - als professie - biedt nieuwe kansen voor wat vroeger ‘samenlevingsopbouw’ werd genoemd. Dit leidt tot wijken die een stuk levendiger zijn en waar het sociaal weefsel een stuk sterker is.

7. Ruimte en duidelijkheid

Er zijn verschillende typen professionals actief in de wijk. Veelal achter de schermen worstelen bestuurders en managers met de heldere taakafbakening van al deze professionals. Wie doet wat? Waarom? En wat wordt van de verschillende wijkwerkers verwacht?

De rondgang in de drie steden levert in elk geval een tweetal inzichten op:
1.    zorg enerzijds voor voldoende beroepskrachten met een brede taakomschrijving en een vrije opdracht (‘opbouwwerkers’) en
2.    zorg anderzijds voor gebiedswerkers met mandaat die werken op basis van een beleidsinzet.

Onderscheid deze functies goed van elkaar en zorg vervolgens voor adequate samenwerking. Het tweede inzicht heeft betrekking op het functioneren van de wijkteams.

8. Wijkinitiatieven passend ondersteunen

In tal van wijken borrelen initiatieven op. Ze kennen relatief eenvoudige organisatievormen en hebben in de regel een hoog doe-gehalte. In nauwe samenspraak met hen kan onderzocht worden aan welke ondersteuning behoefte is: alleen financieel of ook organisatorisch en procesmatig. Door een meer gevarieerd pakket van begeleiding te bieden, kan het geld beter worden benut.

Henk Krijnen

<p>Mijn hart ligt bij het buurtwerk. De liefde&nbsp;begon eind jaren zestig in de wijk&nbsp;waar nagenoeg mijn hele familie woonde.
 

Henk Krijnen

<p>Mijn hart ligt bij het buurtwerk. De liefde&nbsp;begon eind jaren zestig in de wijk&nbsp;waar nagenoeg mijn hele familie woonde.