Platform voor buurtontwikkeling

Kan politiserend opbouwwerk een antwoord zijn op sociale ongelijkheid in Nederland?

Een XL-analyse van de Amerikaanse werkwijze met praktijkvoorbeeld
Kan politiserend opbouwwerk een antwoord zijn op sociale ongelijkheid in Nederland?

Foto: Dennis Fox (Flickr Creative Commons)

Artikel
afbeelding van Jeroen Gradener  
afbeelding van Lee Staples  
27 februari 2017

 

 

Politiserend opbouwwerk brengt maatschappelijk ontevreden burgers bij elkaar en leert hen voor zichzelf opkomen. Kan deze vorm van opbouwwerk in Nederland ook werken?

 

Politiserend opbouwwerk zet burgers ertoe aan om iets te doen aan specifieke problemen in hun dagelijks leven. Hierdoor krijgen ze inzicht in de structurele oorzaken die aan hun problemen ten grondslag liggen. Het gaat dan vooral om essentiële levensvereisten, zoals betaalbare huisvesting, eerlijke kansen op de arbeidsmarkt, een gezonde leefomgeving en respect voor seksuele diversiteit. Deze vorm van opbouwwerk zou het huidige palet van sociaal werk in Nederland kunnen verrijken omdat ook hier soms een gebrek is aan elementaire sociale en economische rechtvaardigheid. Maar eerst meer over de methode.

Effecten, basisvoorwaarden en werking van politiserend opbouwwerk

Een opbouwwerker die politiserend te werk gaat helpt mensen om kennis en vaardigheden te verwerven die nodig zijn om voor zichzelf op te komen. Ze leren zeggenschap op te eisen door middel van leiderschaps- en machtsontwikkeling.  

Politiserend opbouwwerk werkt niet aan de hand van duidelijk omschreven handelingsmodellen, is afhankelijk van de vaardigheid van de professional om verschillende zaken en personen op elkaar te laten reageren. Een van de basisvoorwaarden om deze vorm van politiserend opbouwwerk effectief te laten zijn is een voortdurende reflectie op ieders rol en inbreng. (Gradener, 2010; Delgado & Staples, 2008).

Praktijkvoorbeeld: hoe de strijd om vakantiewerk de jeugd politieke macht gaf

De werkwijze laat zich het beste illustreren door een Amerikaans praktijkvoorbeeld: Dorchester is een van de oudste en armste wijken in Boston, Massachusetts. De helft van de Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse jongeren is er werkloos. Dan Gelbtuch werkt als organizer (opbouwwerker) voor het Summer Youth Force Program waarin deze jongeren leiderschapskwaliteiten aanleren om deze later in te kunnen zetten binnen hun gemeenschap.

'Vakantiewerk was een praktisch en oplosbaar probleem om aan te pakken'

Een aantal jaar geleden volgden Dan Gelbtuch en een groepje jeugdactivisten een training community mapping, een methode om de behoeftes en kwaliteiten van een gemeenschap te inventariseren. Toen ze de straat opgingen om jongeren te vragen waar ze zich zorgen over maakten was één onderwerp dominant: vakantiewerk. Dat was een praktisch en oplosbaar probleem om aan te pakken, vond Gelbtuch. De jongeren wilden de lokale banken erbij betrekken en uiteindelijk wisten ze de vice-voorzitter van de bank ervan te overtuigen om 20.000 dollar te investeren.

Dit had de geboorte van een succesvol project kunnen zijn, ware het niet dat de staat Massachusetts plannen had om 25 procent te bezuinigen op het overheidsbudget voor vakantiewerk. Een collega organizer benaderde Dan Gelbtuch en vroeg hem mee te doen aan een grootscheepse campagne tegen deze bezuiniging. Gelbtuch en z’n jongeren sloten zich aan bij het campagneteam met de bedoeling aandacht te vestigen op de zaak. Er werd een groepje gemotiveerde politici samengebracht die hen zouden bijstaan in hun protest tegen het overheidsbeleid.

Van spoedbijeenkomst naar demonstratie

Gelbtuch wilde ook jongerenwerkers aantrekken die juist geen organizers waren: ‘Om jongeren te betrekken heb je jongerenwerkers met jongerenprogramma’s nodig, dus moest ik een manier bedenken om ze te bereiken. Ik zei: “Als jullie echt iets willen bereiken, moeten jullie met ons meedoen”.’

Na een spoedbijeenkomst besloten 25 jeugdwerkers vanuit alle delen van de stad gezamenlijk actie te ondernemen tegen de bezuinigingen. In een-op-een gesprekken, later in groepen, informeerden ze jongeren in hun wijken over wat de bezuinigingen op vakantiewerk voor hen persoonlijk zouden betekenen. Het resultaat was een demonstratie van duizend jongeren bij het parlementsgebouw. Na afloop gingen de jongeren met lokale politici in gesprek. De jongerenactie werd breed uitgemeten in de pers waardoor de omvang van de nog steeds groeiende coalitie goed zichtbaar werd.

Doel campagne: leiderschap activeren bij jongeren

Na de demonstratie ging de campagne verder met als doel het ontwikkelen van leiderschap onder de deelnemende jongeren. Er werd een intensief zomerprogramma georganiseerd om de jongeren voor te lichten over de politieke en economische aspecten van het vakantiewerk. Deze lessen besloegen tien uur per week. Gelbtuch deed dit niet zelf, maar liet dit doen door trainers die betaald kregen voor hun rol als organizers. Zes van deze trainers waren jongeren die op scholen waren gescout. Per jaar namen zestig tieners deel aan de training.

'Ieder jaar worden demonstraties georganiseerd met minstens duizend jongeren'

De grootste uitdaging was vervolgens het vasthouden van de betrokkenheid. En dat lukte. Ieder jaar worden demonstraties georganiseerd met minstens duizend jongeren. Ook gaan nog steeds ieder jaar jongeren in gesprek met de lokale politici. Hierdoor staat vakantiewerk nog altijd prominent op de politieke agenda. Door de media-aandacht en de jaarlijkse begrotingsdebatten van de staat is het belang ervan duidelijk geworden. Het resultaat: het budget is met een miljoen dollar verhoogd.

Gelbtuch is tevreden over de manier waarop hij jongeren heeft weten te betrekken bij het politieke proces. ‘Het is ongelooflijk hoeveel inzicht jongeren hebben gekregen in macht en politiek. Voor het eerst in hun leven voelen ze dat ze de macht hebben om dingen te veranderen en politieke processen te beïnvloeden.’

Wat maakt deze praktijk effectief?

De macht van het collectief is een basisvoorwaarde voor een succesvolle campagne. Wervingsprocessen zijn daarom uitermate belangrijk. Deelnemers werden systematisch op verschillende manieren geworven. De eerste stap bij dergelijke wervingstechnieken is het identificeren van potentiële deelnemers en het duidelijk maken wat hun belang is bij de betreffende kwestie.

De legendarische community organizer Saul Alinsky (1971) formuleerde lang geleden drie basiscriteria waaraan een kwestie moet voldoen om grote aantallen deelnemers aan te trekken vanuit hun eigen belang.

 

  1. Het moet een actuele kwestie zijn die mensen persoonlijk raakt;
     
  2. het moet ‘gesneden’ en ‘opgediend’ worden als een plan met duidelijke doelen en specifieke veranderingen in plaats van als een algemene verklaring over een probleemsituatie (huisvesting, werkgelegenheid, milieu, onderwijs);
     
  3. er moet een duidelijke en realistische beschrijving zijn van hoe collectieve actie kan leiden tot succesvolle veranderingen.

 

Het lukte het de organizers om een grote groep burgers te motiveren omdat er een duidelijk antwoord was op de vraag: ‘What’s in it for me?’. Bovendien gingen de organizers verder dan alleen het formuleren van het probleem. Ze zochten de dialoog op en stelden vragen om erachter te komen wie de verantwoordelijke partijen waren (zoals politici).

De organizers transformeerden de bestaande verontwaardiging van de jongeren door de collectieve actie te structureren. En het waren de jongeren zelf die besloten wat er gedaan moest worden. De beoogde sociale veranderingen werden dus niet door de organizers, maar door de deelnemers zelf geformuleerd. De organizer hield zich op de achtergrond en overlegde samen met de leiders over de vraag hoe ze deze doelen konden realiseren. Daarvoor maakten ze gebruik van effectieve strategieën en tactieken.

Politisering: het creëren van een machtsbasis en leiderschapsontwikkeling

Een duidelijke fasering van het proces, met specifieke tussentijdse doelen, zorgde ervoor dat de jongerenactivisten niet overvraagd werden. Dit vergrootte gestaag de kans op een positief momentum waarin de gestelde doelen gerealiseerd zouden worden. Terwijl de collectieve acties van de jongeren zich richtten op problemen die hen direct raakten, problematiseerden organizers de sociale omstandigheden en formuleerden ze nog fundamentelere vragen over: machtsverhoudingen, onderdrukking, discriminatie, marginalisatie en diverse sociale en economische rechten. Daarbij volgden ze Paolo Freire’s pedagogy of the oppressed (1970) in die zin dat ze de gemeenschap niet oplegden wat zij zouden moeten denken of doen.

'De strijd voor vakantiewerk leidde tot een bredere politieke discussie over de beperkte mogelijkheden van jongeren met een niet-blanke huidskleur.'

Doordat Dan Gelbtuch en zijn medewerkers een politiserende rol innamen, oversteeg de campagne uiteindelijk het oorspronkelijke doel. ‘De strijd voor vakantiewerk leidde tot een bredere politieke discussie over de beperkte mogelijkheden van jongeren met een niet-blanke huidskleur. Het vakantiewerk houdt mensen om de tafel, maar uiteindelijk ging onze analyse nog meer over de werking van machtsstructuren.’

Veel jongeren werden zich tijdens de processen zeer bewust van de systemische onrechtvaardigheid die aan hun problemen ten grondslag lag en zij zagen in dat georganiseerde acties sociale veranderingen in gang konden zetten (collective efficacy). Bovendien kregen ze het vertrouwen dat ze zelf konden bijdragen aan dergelijke acties (self-efficacy).

Politiserend opbouwwerk in de Nederlandse participatiemaatschappij?

Het praktijkvoorbeeld laat zien hoe een Amerikaanse opbouwwerker met bewoners samen effectief verschil kunnen maken bij concrete maatschappelijke problemen. Politiserend opbouwwerk zou voor het sociaal werk in Nederland ook een aanvulling kunnen zijn. Het kan een alternatief vormen voor de min of meer ‘gedomesticeerde’ vormen van opbouwwerk die we nu kennen. Dat vraagt van sociaal werkers of opbouwwerkers allereerst dat ze loskomen van de lokale politieke agenda’s. Daarnaast is het zaak dat ze zich engageren met hele concrete bekommernissen van bewoners zoals werkloosheid, vormen van uitsluiting of de gevolgen van het leven in onveilige buurten.

De methode van het politiserend opbouwwerk ondersteunt burgers naar meer zelfregie. Actieve samenwerking tussen professionals en burgers is een van de hoekstenen in politiserend opbouwwerk. De opbouwwerker handelt hierbij niet uit naam van de burger, maar werkt samen met de burger, waarbij hij of zij nooit iets zal doen wat de burgers zelf kunnen doen, zodat zij actief en onafhankelijk blijven. Het uitgangspunt is dat de deelnemers het recht, de urgentie en de capaciteit hebben om voor zichzelf op te komen. De opbouwwerker helpt capaciteiten van burgers te ontwikkelen zodat ze meer kunnen bereiken in zaken die hen zelf aangaan. De combinatie van mobilisatie, educatie en machtsontwikkeling kan burgers ‘van onderop’ tot meer kritische ontvangers van dienstverlening maken.

Politieke educatie als waardevol instrument om betrokkenheid te vergroten

Oorspronkelijke onmacht om iets aan de levenssituatie te veranderen kan via deze werkwijze worden omgebogen tot politieke macht en lokaal leiderschap. Ook in Nederland spelen sociale vraagstukken als in Dorchester: mensen verliezen hun baan, raken hun zorguitkeringen kwijt, en hen wordt de toegang tot betaalbare woningen ontzegd. Dit is de voedingsbodem van het sluimerend ongenoegen dat bij nogal wat Nederlanders leeft en dat zich nu richt op migranten of dat uitmondt in anti-Europese sentimenten.

Politiserend opbouwwerk versterkt de weerbaarheid van kansarme sociale groepen doordat zij werken aan hun relatie met ‘de machthebbers’. Evelien Tonkens c.s. (2013) vestigden in hun evaluatie van verschillende burgerparticipatieprojecten nog eens de aandacht op politieke educatie als een waardevol instrument om de betrokkenheid van burgers bij de lokale politiek te voeden en te ondersteunen. In die lijn past ook het pleidooi van Geerlof (2010 in WRR 2012, p. 214) om wijkbudgetten onder regie van bewoners (‘trusts’) te brengen en dus de gemeenschap een actievere rol te bieden in het aanspreken van de overheid en het onderhandelen met beleidsmakers over wat burgers nodig hebben.

Maar zelfs al worden we allemaal gelijk geboren, sommigen onder ons voelen zich meer geroepen, bevoorrecht en capabel dan anderen om zijn of haar stem te verheffen over maatschappelijke kwesties. Het opgroeien in verschillende tradities van politieke zeggenschap bepaalt de ‘participatiehabitus’, oftewel de bereidheid tot het nemen van zeggenschap in sociale kwesties (Howard & Lever (2011)). Het nemen van initiatief vraagt dus soms om wat aanmoediging en ondersteuning.

Politiserend opbouwwerk kan een antwoord zijn op de ongerustheid voor nieuwe vormen van segregatie en maatschappelijke ongelijkheid. Zie jij kansen voor deze werkwijze in jouw praktijk?

Jeroen Gradener is docent Community Development aan de Hogeschool van Amsterdam.

Lee Staples is hoogleraar Macro Practice aan de Boston University School of Social Work. Hij is auteur van verschillende publicaties over community organizing zoals Roots to power: A manual for grassroots organizing

Dit artikel is een verkorte versie van De effectiviteit van politisering, drie Amerikaanse lessen van community organizing, hoofdstuk 7 in Wat Werkt Nu Werkelijk, TSS Jaarboek 2012, Amsterdam: Van Gennep. Redactie: Justus Uitermark, Amy-Jane Gielen en Marcel Ham.

 

Literatuur

Alinsky, S., Rules for radicals: A practical primer for realistic radicals. New York: Vintage Books, 1971

Delgado, M. & L.H. Staples, Youth-Led Community Organizing: Theory and Action. Oxford: Oxford University Press, 2008

Freire, P., Pedagogy of the oppressed. New York: Seabury Press, 1970

Geerlof, J., De 60%-maatschappij. Einde aan de talentverspilling, Amsterdam: Thoeris, 2011. In: WRR, Vertrouwen in Burgers. Amsterdam: Amsterdam University Press, p. 214, 2012

Gilthay Veth, D., Het rendement van zalmgedrag. De Projectencarroussel ontleed. Den Haag: NCISI, 2009

Gradener, J., ‘Towards discursive forms of accountability in community development practice?’ Paper for SOPINS Research Seminar November 29th 2010 at Utrecht University, 2010.

Howard, J. & J. Lever, ‘New Governance Spaces’: what generates a participatory disposition in different contexts?’ Voluntary Sector Review, 2(1), p. 77-95, 2011

Staples, L.S., Roots to power: A manual for grassroots organizing. (Second Edition) Westport, CT: Praeger, 2004

 

 

Lees meer over:
afbeelding van Lee Staples  

Lee Staples

Gespecialiseerd in community organizing, community building, youth led community development en de wederopbouw van civil societes in voormalig Oost Europa. Auteur van het boek 'Roots to Power. A Manual for Grass Roots Community Organizing'