Platform voor buurtontwikkeling

Kennen en gekend worden

Belang van kletskassa’s, kringloop cafés en buurtkamers
Kennen en gekend worden

Foto: Maximusqui (Flickr)

Opinie
afbeelding van Radboud Engbersen  
19 december 2019

Willen we meer leefbare wijken realiseren, dan hebben we meer warme plekken en tantes nodig. Radboud Engbersen laat zich inspireren door de Mexicaanse markthallen en pleintjes.

 

 

Onlangs stond er een intrigerend artikel in de Volkskrant waarin geprobeerd werd te achterhalen waarom Mexico in geluksonderzoek altijd komt bovendrijven. Het geheim lijkt te zitten in de aanwezigheid van veel mercados en zócalos - eenvoudige markthallen en pleintjes - én familie. De observaties zijn relevant voor Nederland. Willen we meer leefbare wijken realiseren, dan hebben we meer warme plekken en tantes nodig.

De Mexicaanse geluksonderzoeker die in het Volkskrant-artikel aan het woord komt, houdt ons voor dat mensen gelukkig worden op plekken waar ze je naam kennen en blij zijn dat je er bent. Hij geeft een rijmpje als ezelsbruggetje: ‘Everybody knows their name and everybody’s glad they came.’ De ervaren televisiekijker herkent de bijna-gelijkenis met het openingsliedje van Cheers, een sitcom waarvan enkele honderden afleveringen ooit ook in Nederland zijn uitgezonden. Cheers ging over een gelijknamige bar en een handvol vaste gasten. Herinnert u zich Norman nog? Altijd vastgenageld aan zijn vaste plek. De enige beweging die hij maakte, was het optillen van zijn vaste pul bier op zijn vaste kruk.  

Huiskamers als paddenstoelen

In Nederland zien we al enige tijd de opmars van warme plekken, blijkbaar hebben we onze verzorgingsstaat te veel verkild. Zo worden overal huiskamers ingericht. De huiskamer is bijvoorbeeld de meest dominante metafoor in gemeentelijke beleidsnota’s over het belang van publieke ruimten. Het geprogrammeerde pleintje of parkje is onze Hollandse variant van de zócalo. Voorts realiseren woningcorporaties al enige tijd kleinschalige huizen of kamers van de buurt, maken kringloopwinkels ruimten vrij voor een buurthuisfunctie en richten supermarkten kletskassa’s in. Met onze oude meuk kleden we ze aan, bijvoorbeeld met het bric-à-brac dat we uit onze werkkamers sleepten voordat die in meer onpersoonlijke kantoortuinen veranderden.  

Publieke familiariteit

Tegenover familie en familiariteit staan we in Nederland gereserveerder. In de Nederlandse mercados en zócalos gaat het om publieke familiariteit, dat is een afstandelijke vorm van familiariteit waarbij we elkaar weten in te schatten, elkaar van gezicht kennen, maar zeker niet bij naam. In Mexico is dat anders. ‘Mijn zoon!’ roept de vriendelijke Mexicaanse dame in de mercado als ze de Volkskrant-journalist voor de tweede keer ontmoet. Nederland heeft nog steeds een redelijk robuuste verzorgingsstaat, in Mexico moet je het vooral van je familie hebben, dus is het slim om die maar zo groot mogelijk te maken.  

Toch lijken we wel een verdere mexicanisering van onze publieke voorzieningen te kunnen gebruiken. We hoeven elkaar niet allemaal bij naam of oom en tante te gaan noemen, maar een beetje meer toeschietelijkheid en hartelijkheid kan geen kwaad in al die voorzieningen, werk- en ontmoetingsplekken die we hier in Nederland hebben. Bovendien: de inbreng van je tante en je moeder moet je niet onderschatten.

Oom Gerrit

Onlangs vertelde een medewerkster van een Haagse culturele instelling die in onze sterk gesegregeerde hofstad zoveel mogelijk groepen probeert te bereiken, dat ze haar tante gevraagd had haar een keertje te helpen. Tante had toen op een vanzelfsprekende manier contact weten te maken met groepjes moslima’s. Hetzelfde hoorde ik van een kennis die haar moeder van over de tachtig betrokken had bij een cultureel project in Rotterdam-Zuid.

In beide gevallen was er eerst sprake van verbazing en nieuwsgierigheid, vervolgens van contact en verbroedering. Hier moet ik ook Ome Gerrit noemen. Een voormalige binnenvaartschipper die in een additionele baan aangespoeld was op het buurtplein van mijn wijk. Hij verrichtte fantastisch werk, met warmte, en bracht buurtbewoners nader tot elkaar. In de woorden van de Mexicaanse geluksonderzoeker: hij wist een functie-gedreven relatie tot ons in balans te brengen met zijn emoties en zijn persoon. Dat we hem ‘oom’ noemden, zegt genoeg. We hebben nog eens allemaal geld bij elkaar gelegd voor zijn nieuwe kunstgebit.

Deze blog verscheen ook in het najaarsnummer van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Lees meer over:
afbeelding van Danielle van Oostrum

Danielle van Oostrum

Ik werk als communicatieadviseur bij Movisie. Voor Buurtwijs verzorg in de webredactie, onderhoud ik het Facebookaccount en maak ik de nieuwsbrieven.