Platform voor buurtontwikkeling

Van what’s wrong naar what’s strong

Community building in lastige buurten
Een van oude foto's van de wijk

Een van de oude zwart-wit foto's van de wijk

Artikel
afbeelding van Mieke de Lange  
20 september 2018

Mieke de Lange onthult haar drie belangrijkste lessen voor community building. Zij past ze toe, ook tegen alle adviezen van haar collega’s in. Met succes!

 

 

 

Drie maanden geleden ben ik gestart met extra opbouwwerkinzet in een buurtje in Deventer. De gemeente gaf de opdracht om de informele netwerken te versterken en bewoners te activeren omdat in deze buurt nauwelijks sociale cohesie bestaat en er geen bewonersinitiatieven zijn. Een onmogelijke opgave, hoorde ik al snel van de collega’s in dat gebied: ‘Die mensen willen niks, alleen maar klagen.’ Of: ‘Ze nemen zelf geen enkele verantwoordelijkheid, maar wijzen keer op keer naar de gemeente.’

Schuttingproject

De afgelopen jaren is er regelmatig extra inzet geweest in dit buurtje en werden er leuke dingen neergezet waarbij bewoners betrokken waren. Toch stortte het keer op keer weer in wanneer de opdracht afliep en de professionals weer weg gingen. Ik kreeg daarom enkele suggesties mee van de professionals die er al langer werkten, zij wisten precies wat ik moest doen. ‘Je moet iets brengen en niet gaan ophalen’, zeiden ze toen ik voorstelde om eerst contact te maken met de bewoners en een relatie op te bouwen.

Ik kon bijvoorbeeld een schuttingproject starten om mensen met een uitkering nieuwe schuttingen te laten maken in de buurt. Of een hulpdienst oprichten waarin bewoners elkaar kunnen helpen. Allemaal voorbeelden die niet per definitie verkeerd zijn, maar wel allemaal opgezet vanuit professionals om een probleem op te lossen.

Alongside

Ik daarentegen werk als opbouwwerker ‘alongside’ een community. Contact maken, relatie opbouwen door er te zijn, te luisteren met oprechte interesse en van daaruit beweging te laten ontstaan vanuit bewoners zelf die bijdraagt aan gemeenschapszin. Dus ik ging toch mijn nieuwe buurt in en maakte praatjes.

 

Ik hoorde van de bewoners dat het zo’n troep in de buurt was, dat de gemeente daar echt iets aan moest doen. Dat ze zich in de steek gelaten voelen door de gemeente die geen idee heeft van wat er zich hier afspeelt. Dat de woningbouwcorporatie ook helemaal niets doet. Dat ze altijd als vuil behandeld worden, zeker als men weet uit welke buurt ze komen. Bel je de politie, word je niet eens serieus genomen: oh ja, die straat, ja daar is overlast, tja… Ze hadden zelf wel eens iets georganiseerd in de buurt, maar dat gingen ze echt niet weer doen omdat er uiteindelijk toch niemand is die meedoet.

Dit hoorde ik ongeveer drie maanden aan. Ik was er zo’n drie keer per week en sprak met verschillende bewoners. De meeste kwam ik gewoon ergens in de buurt tegen. Soms belde ik ook aan bij mensen die een mooie voortuin hadden of een bijzonder bordje bij de deur. Ik was nieuwsgierig, luisterde naar wat ze te vertellen hadden. Maar ik werd wel een beetje moe van al dat gezeur en geklaag. Ik begon te twijfelen aan mijn aanpak. Hadden die professionals dan toch gelijk? Moest ik iets gaan brengen? Zelf iets opstarten?

Setje foto’s

Onverwacht kreeg ik toen van een collega een setje oude foto’s. Zij had tien jaar geleden een project gedaan in diezelfde buurt en foto’s gekregen van een bewoner. Ze beloofde destijds de foto’s terug te brengen, maar was dat vergeten. Nu ze een andere baan had en de kast opruimde kwam ze de foto’s weer tegen en vroeg ze of ik die wilde hebben. ‘Nou graag,’ zei ik, ‘misschien kan ik de rechtmatige eigenaar terug vinden.’

De volgende keer nam ik de foto’s mee in mijn tas. Weer had ik een klaaggesprek met een stoepzitter. Niet ongezellig hoor, maar het leverde ook niet echt iets op. Ineens herinnerde ik me de foto’s. ‘Misschien kun je me even helpen, Gerrit? Ik heb hier wat oude foto’s en die wil ik graag aan de eigenaar teruggeven.’

Ik haalde de foto’s uit mijn tas en Gerrit werd enthousiast. ‘Ja!’, zei hij, ‘kijk nou eens! Ons oude speeltuingebouw!’ Hij riep zijn vriendin, die altijd in huis bleef, erbij en samen begonnen ze te vertellen. Annie liep langs en kwam erbij staan en ook Jannes en Toosje kwamen erbij. En voor ik het wist regende het mooie, positieve verhalen over de buurt waarin zij opgroeiden. De buurt waar je er voor elkaar was, je lief en leed met elkaar deelde en elkaar hielp. In de verhalen die ze vertelden noemden ze de voor hen belangrijkste functies van een gemeenschap. Namelijk: veiligheid in de buurt, samen opvoeden en opgroeien, burenhulp, fijne leefomgeving en lokale economie.

Drie lessen

Alongside community blijven blijkt toch te werken. Ook in deze buurt! Daarom wil ik deze drie belangrijke lessen graag met jullie delen:
1.    Geef niet zomaar op en blijf present in de buurt.
2.    Door er te zijn, contact te maken en relaties op te bouwen krijg je focus on ‘what’s strong’ in plaats van ‘what’s wrong’. Op die energie kun je verder.
3.    Bewoners weten door het vertellen van verhalen heel goed aan te geven welke belangrijke functies een gemeenschap voor hen heeft. Doordat zij dit delen ontstaat er actie en is er ruimte voor nieuwe initiatieven.

De initiatieven die dan ontstaan komen vanuit bewoners zelf en leveren een bijdrage aan dat wat zij echt belangrijk vinden in hun gemeenschap. Zo bouwen we samen aan een sterke samenleving waarin we op elkaar aankunnen.

 

Een van de bijzondere verhalen die Mieke op deze manier verzamelde is het verhaal van de vriendin van Gerrit:
Mijn opa heeft de speeltuinvereniging eigenhandig gebouwd. Hij was metselaar en heeft elke steen gelegd. Er werd van alles georganiseerd voor de kinderen in de buurt. Dat deden ze met mekaar. De pinksterkroon bijvoorbeeld, prachtig was dat. In het speeltuingebouw kon je ook snoep kopen. Op een keer kocht ik daar een zakje snoepjes. Buiten kwam mijn buurmeisje naar mij toe en vroeg of zij een snoepje mocht. Ik wilde natuurlijk alles zelf opeten, dus ik zei nee. Mijn opa hoorde dat, pakte het zakje snoep uit mijn handen en deelde rond net zolang totdat alles op was en toen kreeg ik het lege zakje terug. ‘Zo’, zei hij, ‘ik hoop dat je ervan geleerd hebt.’ We deelden namelijk alles met elkaar, zelfs je laatste boterham als er niet veel te eten was. Maar nu kennen we elkaar niet meer. We komen elkaar nergens tegen. We weten niet hoe het met onze buren gaat en kunnen elkaar dan ook niet helpen. Laatst hoorde ik dat hier een alleenstaande moeder woont die een lekke band had en die wist niet wat ze moest. Zelf plakken kon ze niet en de fietsservice had vakantie. Nou dat geloof je toch niet? Dat ze dan niet even een van hier vraagt, maar ja wat moet je ook, ze kent hier bijna niemand. ‘Oh’, zegt Gerrit die dit aanhoort: ‘is die band nog lek dan? Dan loop ik er wel even heen!’