Platform voor buurtontwikkeling

‘De kerntaak van sociaal werkers is niet problemen oplossen, maar anderen erbij betrekken’

Een gesprek met Marcel Spierts
‘De kerntaak van sociaal werkers is niet problemen oplossen, maar anderen erbij betrekken’
Interview
 
7 juli 2017

Sociaal werkers willen problemen als eenzaamheid en armoede oplossen. Maar is dat ‘de ziel’ van het werk? Marcel Spierts vindt van niet. In de kern draait het er om dat ook anderen bij die vraagstukken betrokken worden. Daarover ging ik met hem in gesprek.

 

Democratisch sociaal werk is een abstract idee. Een democratisch proces is te vergelijken met een denkbeeldige ronde tafel waar een gesprek plaatsvindt over belangrijke zaken in de samenleving, zoals: hoe gaan we om met ‘het anders zijn’ van een ander? Hoe zorgen we als samenleving voor mensen die (tijdelijk) niet voor zichzelf kunnen zorgen? Moeten mensen die een uitkering ontvangen een tegenprestatie uitvoeren? Voor de uitkomst van een gesprek is het belangrijk dat mensen met verschillende achtergronden en levenssituaties aan dat gesprek deelnemen. Het aan de tafel krijgen van het ‘zwakste belang’, dàt is volgens Marcel Spierts de belangrijkste taak van de sociaal werkers en opbouwwerkers.

 

Hier vind je de Marie Kamphuislezing van Marcel Spierts: Pleidooi voor een democratisch sociaal werk

 

Sociaal werkers werken al democratisch

‘Dat inschakelen van het 'zwakste belang' doen sociaal werkers al lang’ vertelt Marcel Spierts. ‘In de gemeentelijke transities binnen de welzijnssector gaat het heel vaak over wat sociaal werkers anders moeten doen. In mijn pleidooi voor democratisch sociaal werk daarentegen wil ik juist laten zien wat sociaal werkers al doen. Ik laat zien wat ze als beroepsgroep gemeen hebben. Sociaal werkers werken namelijk vanuit zichzelf al op een democratische wijze. Ze behandelen de mensen waar ze mee werken op basis van gelijkwaardigheid en partnerschap. En ze geven hen een belangrijke rol bij het nemen van besluiten. Juist voor dat democratische karakter van hun werk mag meer aandacht komen.’

‘Sociaal werkers zijn te weinig bezig geweest met wat hun eigen opdracht is naast wat anderen er van verwachten.’

‘Sociaal werkers hebben te maken met een enorme ideologische opdracht vanuit de overheid. Ze moeten ‘eigen kracht activeren’ en ‘zelfredzaamheid van burgers vergroten’. Er is op zich best wat voor te zeggen dat de overheid de agenda voor een deel bepaalt, want het gaat om geld van de belastingbetaler. Maar sociaal werkers zijn er niet alleen om die eigen kracht te activeren. Die overheidsagenda is slechts een deel van de opdracht van het sociaal werk. Ik zie dat sociaal werkers, mede door een gebrek aan zelfvertrouwen en beroepstrots, moeite hebben om bij zichzelf te blijven en vanuit hun eigen identiteit die agenda tegemoet te treden. Ook zijn ze (als beroepsgroep) in het verleden te weinig bezig geweest met wat hun eigen opdracht is, naast wat anderen van hen verwachten.’

 

Je noemt democratisch werken ‘de ziel’ van het sociaal werk. Kun je uitleggen waarom?

‘Het democratisch sociaal werk was belangrijk in de geschiedenis. Jane Addams werkte eind 19e eeuw in Amerika al aan de zeggenschap van mensen met achterstand. (Red: Lees hier daarover meer). Marie Kamphuis nam na de Tweede Wereldoorlog tijdens studiereizen naar Amerika dat gedachtegoed mee naar Nederland, waardoor er steeds meer aandacht kwam voor democratische vaardigheden zoals ‘het leren nemen van verantwoordelijkheid’, ‘kritisch luisteren’, ‘een eigen mening onder woorden brengen’ en ‘je verplaatsen in het standpunt van de ander’.’

‘Het democratische is als het ware de ziel van sociaal werk. Toen ik daar langer over nadacht werd ik steeds enthousiaster over wat de waarde daarvan kan zijn in de huidige tijd. Het is belangrijk dat de samenleving democratischer wordt. Niet alleen als tegenwicht voor de polarisatie en verdeeldheid maar ook in de overgang naar de participatiesamenleving die de overheid voor ogen staat en die uitgaat van een actieve betrokkenheid van burgers. Het benadrukken van het democratische karakter van sociaal werk geeft sociaal werkers een collectieve identiteit. Het versterkt hun positie en er gaat een appèl van uit voor meer betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken vanuit de samenleving als geheel.’

 

‘Sociaal werkers lossen geen problemen op’

 

 

Spierts vervolgt: ‘Gemeentes verwachten bijvoorbeeld van sociaal werkers dat ze maatschappelijke vraagstukken oplossen. Dat is een veel te grote broek. Ze hebben simpelweg niet de capaciteiten en middelen om huiselijk geweld, armoede, eenzaamheid of dakloosheid op te lossen. Wat ze wèl kunnen doen is anderen bij die vraagstukken betrekken. Sociaal werkers hebben direct contact met mensen die in de problemen zitten. Dan moet je dingen die niemand anders ziet (of wil zien) zichtbaar maken en bestuurders en andere actoren daar met de haren bij trekken. Dat is een functie van sociaal werk, maar het is iets anders dan een probleem oplossen.’

 

Dat betekent dat sociaal werkers niet alleen bezig zijn met mensen met problemen maar ook met het zorgen dat anderen bij die problemen betrokken worden?

‘Dat is de afgelopen 10 jaar steeds meer onderdeel van het werk geworden. Wat het niet gemakkelijker maakt is dat de verbouwing van de verzorgingsstaat ondertussen gewoon doorgaat. Gemeenten en welzijnsorganisaties schurken dichter tegen elkaar aan. En daar moet je rekening mee houden als sociaal werker. Er zijn allerlei partijen die invloed hebben op hoe je je werk kunt uitoefenen. Daarom zijn in de huidige tijd het beïnvloeden van andere partijen en het organiseren van je werk cruciale onderdelen van het vak.’

‘In de beleving van sociaal werkers is de opdracht die ze krijgen heel bepalend, maar in werkelijkheid zijn ze de hele tijd bezig om ruimte te bevechten, om te kunnen doen wat ze echt belangrijk vinden. Iedereen is bezig met dat gevecht. Sociaal werkers hebben vaak meer ruimte dan ze in eerste instantie denken. Je geeft er zelf invulling aan dus je bepaalt wel degelijk.’

‘Het is belangrijk dat sociaal werkers in een onderhandelingspositie komen over de agenda. Niet zodat zij die agenda weer bepalen maar zodat er rekening wordt gehouden met sociaal werkers. Zij zijn namelijk de eersten met wie bewoners in contact komen, zij zijn van invloed op hoe mensen de democratie ervaren, of burgers vertrouwen hebben in de overheid. Sociale professionals moeten om die reden óók invloed hebben op die agenda.’

 

Het opbouwwerk in de jaren ‘70 leek daar beter in te slagen dan in de huidige tijd.

‘Niet helemaal. In die tijd werd door de politiek met het opbouwwerk afgerekend omdat het namens de burger op de stoel van de politiek ging zitten. Het was een soort oppositionele betweterigheid. Ze waren heel zeker van hun zaak, maar ondertussen was het onduidelijk namens wie ze handelden en daar heeft de politiek ze op afgerekend.’

‘Democratisch werken is iets anders. Dat betekent namelijk niet dat jij de waarheid in pacht hebt. Je onderzoekt juist de verschillende standpunten, hoe die ten opzichte van elkaar liggen en hoe je die tegen elkaar kunt afwegen. Als democratische professional maak je daar ruimte voor. Tegelijkertijd probeer je het zo te organiseren dat mensen met het zwakste belang gehoord worden en een stem krijgen.’

 

Als opbouwwerker praat je vaker met mensen die in bewonersraden zitten of zichzelf hebben georganiseerd in buurtcommunities. Die vertegenwoordigen niet altijd het zwakste belang. Is het realistisch om dan te zeggen; ik zoek nog verder?

Dat is een streven maar dat kun je niet altijd waarmaken. Het is wel onderdeel van je expertise: dat je goed kijkt voor wie een situatie onrechtvaardig is en dat je daarin moet manoeuvreren. En dat je niet voor de troepen uitloopt.’

Een praktijkvoorbeeld uit de Diamantbuurt, Amsterdam

 

Spierts: ‘Zoals in de Amsterdamse Diamantbuurt waar ik twee jaar geleden onderzoek heb gedaan met Sebastian Abdallah. Burgemeester van der Laan liet zich door bewoners bijpraten hoe ze tegen de situatie  in de buurt aankeken. De bewoners zeiden dat ze na 10 jaar eindelijk weer grip hadden op de situatie. Het verschil was volgens die bewoners gemaakt door het jongerenwerk. Die hadden bijvoorbeeld debattrainingen georganiseerd waarvan wij eerst dachten: Waarom? Wat interesseert die jongeren dat nou?

 

Die jongeren vertelden ons dat ze door die debattraining geleerd hadden hoe je feiten van meningen onderscheidt en welke rol emoties spelen. En wat ze daaraan hadden in een vakantiebaantje of op school. Uiteindelijk hebben jongeren, hun ouders en andere partijen het Smaragdplein, waar de problemen zich concentreerden, opnieuw ingericht en hebben ze op die manier weer greep op de situatie gekregen. In dat proces leerden die jongeren dat je wel een idee kunt hebben over hoe het moet, maar dat er ook andere partijen zijn, zoals het stadsdeel, waar je rekening mee moet houden. Dat zijn allemaal democratische vaardigheden.’

 

Jongeren zijn nog wel geneigd om te reageren. Hoe los je het op als je niet de aandacht weet te krijgen van bewoners?

‘Dan moet je ingangen blijven zoeken en werk je met vormen waar mensen affiniteit mee hebben. Een van de uitgangspunten bij een initiatief als de Vreedzame Wijk bijvoorbeeld, is dat mensen respect voor elkaar tonen. Maar dat is niet altijd vanzelfsprekend. De vraag is dan of je manieren kunt vinden om om te gaan met mensen die afgeven op een ander. Dat er ruimte kan ontstaan voor emoties. Dat conflicten jou als sociaal werker niet zozeer persoonlijk raken, maar dat conflicten juist ‘stof’ vormen om mee te werken. Het is dan zaak om ze niet onder het vloerkleed te schuiven.’

 

Als je conflictvermijdend werkt dan laat je volgens het democratische principe een kans liggen.

‘Ja, precies. En dat is niet vanzelfsprekend bij sociaal werkers. Het blijft ook zoeken. Je wilt natuurlijk voorkomen dat mensen elkaar de hersens inslaan. Het is een spel en je moet ook kijken naar de grenzen. En je bewust zijn van wie de grenzen bepaalt. Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat sociaal werkers die grenzen veel strikter stellen dan bewoners zelf. Die zijn soms ruwer in de omgang. Vanuit het middenklasseperspectief kan dat misschien niet door de beugel, toch moet je daar wel voor open staan.’

 

Geef eens een voorbeeld?

Een interessant voorbeeld komt vanuit de armoedebeweging in Vlaanderen. Arme mensen hadden er zelf last van dat er dingen van hen verwacht werden die een middenklasse-ideaal vertegenwoordigen. Neoliberale waarden en competenties zoals de manier waarop je voor jezelf opkomt, hoe je solliciteert, hoe je geacht wordt samen te werken met anderen. Deze arme mensen hadden er last van dat al op voorhand vast stond waar ze aan mee moesten doen. En welke waarden daarin leidend waren. De vraag is: in hoeverre hebben de ‘buitenstaanders’, in dit geval de armen, ook zelf een stem in het bepalen van de waarden die ertoe doen?’

 

Dus eigenlijk gaat democratisering ook over waardering, hoe mensen gezien worden.

Inderdaad. Ik was recent op een bijeenkomst waar een ervaringsdeskundige aan het woord kwam die armoede heeft meegemaakt van generatie op generatie en die ook nog een autistisch kind heeft. Ze zei: “Wat mensen steekt is dat er niet echt aandacht is voor hun situatie. Dat ze zich niet gehoord en gezien voelen. Die hebben niets aan tips, maar ze willen aandacht voor de situatie waar ze in zitten.” “Aandacht” heeft ze wel 20 keer genoemd op die avond.’

 

Ik zie dat sociaal werkers vaak veel aandacht hebben voor een persoonlijke situatie. Maar dan zouden ze volgens jou nog een stap kunnen maken door de norm in de samenleving op te rekken.

‘Ja, het is belangrijk dat sociaal werkers vooropgestelde ideeën ter discussie blijven stellen. Dat ze stakeholders confronteren met oncomfortabele feiten; belangen die genegeerd worden. Dat begint ermee dat je verhalen vertelt. Onderling, maar ook naar de buitenwereld. Daarom zijn initiatieven zoals ditishetsociaalwerk.nl en buurtwijs.nl van belang. Door de verhalen uit de praktijk te bundelen kun je laten zien wat de betekenis is van wat sociaal werkers dag in, dag uit doen.’