Platform voor buurtontwikkeling

‘Dubbele agenda is het dilemma van het Westerse opbouwwerk’

Interview met Jeroen Gradener, onderzoeker en docent
‘Dubbele agenda is het dilemma van het Westerse opbouwwerk’
Interview
17 oktober 2016

 

Opbouwwerkers zetten het liefst de bewoner in de schijnwerpers. Met als gevolg dat hun eigen rol onzichtbaar blijft. Toch lukt het ze om vertrouwen te winnen en mandaat te krijgen van bewoners. Maar hoe gaan ze om met een dubbele agenda?

 

Tijdens zijn vijf jaar durende promotieonderzoek bestudeerde Jeroen Gradener, docent en onderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam, de praktijk van het opbouwwerk in Zuid-Afrika, de Verenigde Staten en Amsterdam. Op die verschillende plaatsen werken opbouwwerkers onder verschillende titels: in Doornkop, Johannesburg (ZA) als area leader, in Chelsea, Massachusetts (VS) als community organizer en in Bos en Lommer, Amsterdam als participatie & activeringswerker. In zijn proefschrift ‘Keys to the community’ deelt hij zijn resultaten. Ik ging met hem in gesprek over bevindingen.

In deze drie totaal verschillende contexten onderzocht hij de manieren waarop opbouwwerkers legitimiteit weten te verwerven bij de community: Gradener: ‘In alle casussen heb ik gemerkt dat opbouwwerkers heel goed aanvoelen wat volgens hen goed is om te doen. Toch zijn ze niet heel bewust bezig met het proces van legitimatie. In mijn onderzoek heb ik geprobeerd om dat intuïtieve, dat wat er in die black box gebeurt, boven tafel te krijgen. Ik deed dit door vragen stellen als: wat doe je precies en waarom denk jij dat dat goed is? En, hoe zorg je ervoor dat wat jij denkt dat belangrijk is, dat anderen dat ook vinden?

Over opbouwwerk mag je niet praten in termen van een vak

Ik vertel hem dat we bij Buurtwijs opbouwwerkers vragen om te vertellen wat ze doen en dat ze dan liever de rol van de bewoners in de schijnwerpers zetten in plaats van te vertellen over hun eigen rol.

‘Dat lijkt een traditionele reflex van opbouwwerkers. Hetzelfde zie je terug in de wetenschappelijke literatuur: je mag niet over het werk praten als een vak, want dan neem je een positie in tegenover bewoners die uitgaat van expertise, en daarmee ook van macht. Terwijl opbouwwerkers met die houding tegelijk het gesprek over wat ze doen, en dus over het verantwoorden van hun positie tegenover een bewoner, niet voeren. Juist door geen open kaart te spelen bereiken ze onbedoeld het tegenovergestelde van wat ze willen: het in stand houden van de machtspositie van de opbouwwerkprofessional tegenover de bewoners.’

De institutionalisering van opbouwwerk maakt het een beladen praktijk

‘Er bestaat een zeker purisme bij opbouwwerkers, of zelfs angst om toe te geven dat hun werk een heel beladen praktijk is. Dat heeft te maken met de historie: het opbouwwerk vindt zijn oorsprong in democratisering, in participatie, in het corrigeren van bestaande machtsverhoudingen in de samenleving. Dat begon met een middenklasse die het beste voor had met mensen die zich moeilijke situaties bevonden. Maar na de Tweede Wereldoorlog is het opbouwwerk onderdeel geworden van een politieke verheffingsagenda. Met als gevolg dat de opbouwwerker een agenda moet uitvoeren die – in de geest van Paulo Freire(externe link) – in eerste instantie niet geënt is op generatieve thema’s, maar op lokale begrippen en vraagstukken van bewoners. Terwijl de politieke opdracht en de economische logica dominant zijn en dat maakt het werk van de opbouwwerker beladen.’

‘Vanaf de jaren ’80 is dat nog sterker geworden met de komst van de neoliberale visie op de samenleving: een samenleving waarin de rol voor de overheid beperkt is en lokale gemeenschappen zelfredzaam moeten zijn. Opbouwwerkers zien dat veel problemen van bewoners veroorzaakt worden door krachten die de bewoners niet onder controle hebben. Die ontwikkeling geeft professionals een gevoel van vervreemding. Ze worstelen ermee dat ze het werk niet doen op een wijze zoals het ooit bedoeld was.’

'Opbouwwerkers proberen dingen bij bewoners wakker te kussen die bewoners zelf niet inzien omdat ze voortdurend aan het overleven zijn'

Hoe de agenda van het opbouwwerk bepaald is, verschilt per context. Gradener vertelt over de situatie in Chelsea (Massachusetts, Verenigde Staten) waar de organisatie niet afhankelijk is van overheidsgeld en -agenda en dat ook niet wil:

‘In Chelsea zien opbouwwerkers dat de Latino’s in hun buurt in slechte woonomstandigheden leven en uitgebuit worden door werkgevers. De opbouwwerkers willen die bewoners ervan overtuigen dat het niet goed met ze gaat. Dat ze beter verdienen. Ze doen dat midden in de wijk zoals Jane Adams dat deed in 1889 met het Hull house in Chicago. De opbouwwerkers proberen dingen bij bewoners wakker te kussen die ze zelf niet inzien omdat ze voortdurend aan het overleven zijn. De opbouwwerkers denken bijvoorbeeld met bewoners mee over hoe ze hun behoefte aan veiligheid kunnen verbeteren. Op die manier ontwikkelen ze mandaat bij bewoners.’

Westers opbouwwerk heeft te maken met een dubbele agenda

In Amsterdam trof Gradener een heel andere situatie aan: ‘In het Westerse opbouwwerk heeft de opbouwwerker te maken met een dubbele agenda. De Amsterdamse participatie & activeringsmedewerkers krijgen een opdracht mee van de politiek en de organisatie waar ze voor werken terwijl ze tegelijkertijd de agenda van de bewoner moeten meenemen. Dat is een van de klassieke dilemma’s van het Westerse opbouwwerk.’

Ik leg Jeroen voor wat een Nederlandse opbouwwerker me onlangs vertelde. Deze maakte een onderscheid maakte tussen een activeringswerker waarvan het werk als succesvol wordt gezien wanneer bewoners actiever meedoen en dat van een community builder, die zijn resultaten afmeet aan opgebouwde en zinvolle relaties tussen bewoners.

Gradener reageert: ‘Je zou kunnen zeggen dat dit een principieel onderscheid is. Toch hoeft het niet of het een of het ander te zijn. In situaties zoals Amsterdam, waar activeringswerkers functioneren vanuit publieke middelen, is dergelijke meervoudige legitimatie nodig.’

‘Het feit dat er een andere agenda dan die van bewoners is, waar deze opbouwwerkers rekening mee moeten houden, maakt het legitimatievraagstuk voor hen complexer: ze moeten namelijk ook nog eens zorgen dat ze op goede voet komen te staan met lokale actoren zoals een zorgcoördinator, een wijkteam of een raadslid. Maar ondanks die dubbele agenda lukt het de Participatie & Activeringsmedewerkers in Amsterdam om lokaal mandaat te krijgen al gaat dat niet vanzelf.'

‘Deze complexiteit van de praktijk, waarin opbouwwerkers zich moeten verhouden tot allerlei partijen, wordt door hen vaak als een probleem gezien omdat ze daardoor minder tijd aan bewoners kunnen besteden. Mijn onderzoek laat zien dat dit onderdeel is van het alledaagse werk omdat je als opbouwwerker nu eenmaal moet zorgen dat je dat mandaat krijgt. Natuurlijk worstelen ze daarmee maar het lukt wel.’

Opbouwwerkers zoeken naar plekken waar macht kan ontstaan

Ik vertel Gradener over een opbouwwerker in een wijkteam die pas laat geïnformeerd werd dat bewoners door schulden uit hun huis gezet werden. Hij zat in de knel omdat hij slecht contact kon krijgen met de lokale politiek en omdat het contact met de woningcorporatie niet goed verliep.

'In de ogen van andere betrokkenen op buurtniveau zijn opbouwwerkers soms met linke stuff bezig.'

Gradener reageert vanuit zijn ervaring: ‘Ik zag in alle casussen dat opbouwwerkers last hebben van partijen die meer macht lijken te hebben in het publieke domein. Tegelijk heeft de opbouwwerker soms meer invloed dan die geneigd is te denken. In de ogen van andere betrokkenen op buurtniveau zijn opbouwwerkers soms met linke stuff bezig. Daarom kunnen ze een bedreiging zijn voor die partijen: want wie weet wat er allemaal kan ontstaan als de opbouwwerker met bewoners praat. In Chelsea zoeken de opbouwwerkers naar verschillende plekken waar ze macht kunnen creëren die recht doet aan de positie van bewoners in die stad. De parallel met Nederland is dat de overheid niet altijd in het belang van buurtbewoners werkt. Opbouwwerkers zoeken dan naar de ruimte waar actie kan ontstaan. Er staat niemand bij als je gesprekjes hebt met bewoners dus proberen zij daar voor elkaar te krijgen dat de groep sterker wordt.’

Volgende week vertelt Jeroen in het tweede deel van dit interview verder over zijn ervaringen.