Platform voor buurtontwikkeling

Er is veel aandacht voor het inclusiever maken van initiatieven en activiteiten voor en door wijkbewoners. Is dit een nobel streven? Of kun je juist beter werken aan een inclusieve wijk?

Wijkinitiatieven die krachten uit de buurt samenbrengen, hebben in korte tijd en met weinig middelen al veel maatschappelijke waarde gecreëerd, blijkt uit een verkenning van Impuls werkplaats van het Radboudumc. Wat is er nodig om dit te blijven doen?

Het wemelt er in de buurt, maar door al die buurtfuncties zie je soms door de bomen het bos niet meer. Daarom een interview met Penchi Harteveld. Zij werkt als gebiedsregisseur vanuit gemeente Leidschedam-Voorburg in Stompwijk.

  Samenlevingsopbouw is een breed begrip. Het gaat om het versterken van de zelfwerkzaamheid en medeverantwoordelijkheid van bewoners bij hun eigen woon- en leefomgeving en voor de verbanden tussen bewoners onderling. Maar het gaat ook om het hebben van stem en invloed op je eigen wijk, buurt of stad.

Het was een ongewone uitreiking: via het internet kon iedereen live getuigen hoe Annemarie Jorritsma, voorzitter van KNHM foundation, de Gouden Pit overhandigde aan Residence de Stek uit Castenray.

De afgelopen jaren zijn diverse wijkinitiatieven opgezet om bij te dragen aan de inclusie van nieuwkomers in Nederland. Ze zouden sociale verbinding bevorderen. Maar is dat ook zo? 

Veel organisaties in het sociaal werk worstelen ermee: werken in en vanuit de gemeenschap terwijl tegelijkertijd het casewerk tot aan het plafond ligt opgestapeld. Bij WIJ Groningen is het niet anders.

Hoe kunnen we polarisatie in de wijk tegengaan? KIS ontwikkelde een e-learning waarin niet alleen professionals en beleidsmakers, maar ook de ‘gewone’ burger leert polarisatie te herkennen, aan te pakken en te voorkomen.

Half maart kwam Nederland thuis te zitten en werden er andere manieren gevonden om met elkaar in contact te komen. Gesprekken vanaf het balkon of in de tuin, bingo’s op Facebook en eindeloos veel videobellen. Betekent dit dat het belang van fysieke ontmoetingsplekken niet zo groot is als wordt gesuggereerd in de publicatie Wij in de Wijk?