Platform voor buurtontwikkeling

Weerstand tegen effectiviteitsdenken is het voeren van vorige oorlog

Op zoek naar eigen-wijze openheid
Verzet tegen effectiviteitsdenken is het voeren van vorige oorlog

Foto: Intrinsic-Image (Flickr Creative Commons)

Artikel
afbeelding van Jos van der Lans  
8 juni 2016

Bij professionals in de publieke sector heerst een groeiende weerstand tegen de van buitenaf opgedrongen evidence based practices. Men heeft het idee dat het vak wordt afgepakt door bureaucraten en zet de hakken in het zand. Kan het ook anders?

 

 

 

Het grote probleem van evidence based practices in de publieke sector is dat geen weldenkend mens ertegen kan zijn, terwijl er tegelijkertijd maar weinig professionals enthousiast over worden – laat staan er ook echt in geloven. Toch kan geen professionele beroepsgroep die gebruikmaakt van publieke middelen tegenwoordig de schouders ophalen over in beleidskringen populaire begrippen als ‘transparantie’, ‘verantwoording’ en ‘effectiviteit’ en de vraag of professioneel handelen ook echt werkt.

Professionals zijn er van nature van overtuigd dat ze nuttig werk verrichten. Dat zulks ook maar eens bewezen moet worden voelt als een vijandige overname, een vreemd bezettingsleger dat de praktijk binnenmarcheert met meetinstrumenten, notitieblokjes, vragenlijsten en voorgecodeerde formulieren. En daar houden Nederlandse professionals dus niet van.

Argumenten tegen het effectiviteitsdenken

Niet alleen professionals in het publieke domein hebben er weerstand tegen. Psychiaters verzetten zich tegen de druk van buitenaf om middels gestandaardiseerde vragenlijsten effecten van een behandeling te meten. Opvallend is dat in het debat tegen de effectmeting vergelijkbare redenen worden opgevoerd als in het sociaal domein. Psychiaters beroepen zich op het bijzondere karakter van behandelrelaties in de GGZ, waarin veel variabelen op elkaar inwerken zoals: ervaring van de behandelaar, aard van de therapie, leeftijd, etnische groep, geslacht, sociaal-economische status, enz. De gestandaardiseerde meting kan deze verscheidenheid niet verwerken. Bovendien benadrukken zij dat psychisch leed geen bouwpakket is dat zich volgens gebruiksaanwijzing in elkaar laat zetten. Dan zijn er nog de beleidsmakers die op basis van niet-valide argumenten hun voorkeuren gaan uitspreken over welke behandelingen wel en welke behandelingen niet moeten plaatsvinden.

De conclusie in onvermijdelijk: deze vorm van effectmeting gaat voorbij aan de complexiteit van de geestelijke gezondheidzorg. Critici zijn niet tegen effectmeten maar het zal nog jaren kosten om geschikte instrumenten te ontwikkelen wetenschappelijk en ethisch verantwoord te meten.

Wel kritiek, geen oplossing

Precies die houding typeert veel professionals in de publieke sector die met output/outcome-metingen en verantwoordings- en registratiesystemenen worden geconfronteerd. Ze geven kritiek, maar denken vervolgens weinig mee over essentiële vragen zoals hoe kosten te besparen en hoe kwaliteit en dienstbaarheid te vergroten.

Wie de bezwaren op zich laat inwerken, begrijpt dat het effectiviteitsdenken in de publieke sector geen golf van enthousiasme op de werkvelden teweeg heeft gebracht. Het heeft niet geholpen dat ook hier het pleidooi van buiten kwam. Wel is het begrijpelijk dat beleidsmakers en politici inzicht willen hebben. Zij moeten immers besluiten nemen over geld maar hebben het idee dat deze beslissingen op drijfzand zijn gebaseerd.

Publieke professionals zijn weinig kritisch op eigen werk

De weerstand zit hem vooral in het feit dat anderen zich met de gesloten wereld van het professionele bestaan bemoeien. We mogen wel wat kritische reflectie van professionele beroepsgroepen zelf verwachten. Als er al mensen zijn die verantwoord een keuze kunnen maken over wat je wel en wat je niet moet financieren, dan zijn het de beroepsgroepen zelf; zij zijn immers deskundigen bij uitstek. Helaas zit het min of meer in de historische genen van publieke professionals om de buitenwereld van je af te duwen. Ze zijn principieel apolitiek. Ze doen hun werk, en dat is het. In feite hebben ze daarmee de beslissingen over hun vak uitbesteed aan belangenorganisaties en beleidsmakers die, als ze zo aardig zijn om dan op zijn minst daarvoor gegevens te willen verzamelen, worden bestookt met alle varianten van bezwaren die er – hoe gerechtvaardigd vaak ook – toch vooral op neerkomen dat ze geen inmenging van vreemde mogendheden op hun professionele domein toestaan.

Het zou verstandiger zijn als professionals en hun organisaties in de publieke sector het initiatief naar zich toe trekken en die oude scheiding tussen professionele en publieke verantwoordelijkheid doorbreken. Dat kan alleen als professionele beroepsgroepen in staat zijn zich een nieuw soort publiek zelfvertrouwen toe te eigenen. Dat vereist een open, kritische professionele cultuur waar collega’s elkaar scherp houden zonder dat zij dat als een aanval op hun persoon zien. En dat is zeldzaam in de publieke sector.

Kan het anders?

Gelukkig melden zich steeds meer jonge professionals die meer openheid betrachten voor effectmeting en steeds meer de houding aannemen van een moderne scientist-practitioner. Deze onderzoekende en transparante professionals willen hun eigen praktijken tegen een kritisch licht kunnen houden. Deze houding kan wel wat wind in de zeilen gebruiken, en dat is pas mogelijk als het denken over evidence based werken en effectief werken wordt ingebed in een cultuur van professionele waardeontwikkeling. Het gaat immers om een vorm van professionele arbeid die wil bijdragen aan bijzondere publieke en maatschappelijke doelen. Er is een aantal voorwaarden verbonden aan het realiseren van die inbedding.

Verbind evidence based practice met historische context

Allereerst is het zaak evidence based practices te ontdoen van hun technocratische imago en ze te verbinden met duurzame professionele waarden. Dat kan door de publieke sector niet louter te zien als een grote verzameling al dan niet effectieve interventies, maar het in een historische context te plaatsen. Precies daarom heb ik samen met anderen het initiatief genomen een Canon Sociaal Werk te ontwikkelen. Om professionals en beleidsmakers gevoelig te maken voor het feit dat ze deel uitmaken van wat je met een groot woord een historisch verheffingsproject kunt noemen. In het werk van pioniers is vrijwel alles terug te vinden wat vandaag de dag wordt nagestreefd zoals: outreachend en contextgericht werken, “zelfhulp” en autonomie. Het zijn historical based principles in het sociaal werk die de tand des tijds hebben doorstaan en die kennelijk in steeds nieuwe gedaantes terugkeren. Het vaststellen daarvan gaat eigenlijk vooraf aan de discussie over wat er nu precies wel en wat er nu precies niet werkt.

Professional moet zich eigenaar voelen van meetinstrumenten

Een tweede voorwaarde om effectiviteitsdiscussies te kunnen voeren is dat de professional zich eigenaar voelt van verantwoordings- en evaluatiesystemen. De zwakte van veel meetinstrumenten is dat ze alleen tijd nemen van professionals, ze geven niets terug. Het zijn geen nuttige instrumenten voor de dagelijkse praktijk, het is geen zuurstof voor de onderzoekende, nieuwsgierige professional.

Er zijn evaluatie-instrumenten waarbij dat eigenaarschap voor professionals het uitgangspunt is. Ook wel practice based evidence genoemd. Deze vorm van dataverzameling is ontwikkeld vanuit de hulpverleningscontext zelf en functioneel ten opzichte van de professionele praktijk.

Databank of levendig platform

Er is genoeg informatietechnologie voorhanden die ons kan helpen om vormen van collectieve professionele intelligentie tot stand te brengen. We moeten afscheid nemen van het consumentistische idee dat het mogelijk is de best werkende methode in een vreemde bibliotheek (database) op te halen. Waarin honderden methodische beschrijvingen als onbegrepen cadeautjes in de etalage zijn opgehoopt voor professionals die er niet om hebben gevraagd.

Om in de database te komen moet de interventie aan een strak format voldoen. Om die reden zul je sommige succesvolle interventies hier niet tegenvinden omdat ze ‘te weinig planmatig, stap-voor-stap gestructureerd opgezet’. Ze vallen buiten de boot omdat ze niet voldoen aan de criteria van de databankbewakers. Dat voelt vreemd. Dit en het gebrek aan stem van de professional en gebruikers maakt de database een achterhaalde manier van kennis aanbieden. Interessante kennisplatforms zijn open platforms waar mensen kennis kunnen delen, bespreken, nuanceren, bevragen en aggregeren. Het zijn interactieve platforms geworden, waar wetenschappers, professionals en amateurs nieuwe betrekkingen aangaan. Wikipedia is natuurlijk het klassieke voorbeeld van een platform waar mensen kennis naartoe brengen, beoordelen, verbeteren en met elkaar delen. Je kunt daardoor praktijken en methoden ranken.

De burger als medebeoordelaar over wat werkt

Dat brengt mij ten slotte bij de derde voorwaarde om de discussie over wat wel en wat niet werkt beter in de professionele praktijk van de publieke sector te doen geraken. En dat is het stemrecht van burgers. Het gaat erom het oordeel van de burger echt te laten tellen in de kwaliteitsbeoordeling van het werk van professionals. Want in dat oordeel ligt de essentie van de publieke sector – dienstbaar zijn aan problemen, ambities en doelstellingen van burgers.

Die dienstbaarheid is door processen van professionalisering en institutionalisering nogal eens uit het oog verloren. De professionele stemmen zijn in die institutionele wereld vele malen veelzeggender dan de stem van de cliënten. De professionele onaantastbaarheid – gematerialiseerd door instituties, beroepsverenigingen, gebruiken, culturen – heeft zijn langste tijd gehad. Het gaat niet alleen om professionele kennis; het gaat uiteindelijk altijd om professionele dienstbaarheid aan anderen, burgers, cliënten. Daar past een moderne omgangsvorm bij die per definitie gericht is op gelijkwaardigheid. Dienstverlening is eerder een vorm van samenwerking, van partnerschap geworden.

Vorige oorlog

Er is, tot slot, eigenlijk geen steekhoudend argument dat zich tegen effectmetingen en evidence based evaluatieonderzoek verzet. Terecht klagen veel professionals in de publieke sector over de toenemende bureaucratische bezettingsmacht die hun werk binnendringt, maar het is te gemakkelijk om het fenomeen effectiviteitsmeting daar meteen onder te scharen en af te schrijven. Te gemakkelijk wordt op die manier de publieke verantwoordelijkheid ontlopen over te maken keuzen. De weerstand ertegen is het voeren van de vorige oorlog. Professionals moeten zich niet langer verzetten, maar de kwaliteit van hun beroep zelf in de hand nemen.

 

Dit artikel is een verkorte versie van Transparante professionals, Op zoek naar een eigen-wijze openheid, hoofdstuk 12 in Wat werkt nu werkelijk? Politiek en praktijk van sociale interventies. TSS Jaarboek 2012, Amsterdam: Van Gennep. Redactie: Justus Uitermark, Amy-Jane Gielen en Marcel Ham.

 

Lees meer over: