Platform voor buurtontwikkeling

Veranderingen in samenlevingsopbouw bieden nieuwe kans voor opbouwwerkers

Interview met Jaap Ikink, docent
Interview
afbeelding van Redactie  
4 april 2016

NHL Hogeschool maakte in 2005 al de keuze om generalistischer te gaan werken. In 2017 gaat de brede sociaal-werk-opleiding van start. Jaap Ikink ziet voor de toekomst ruimte voor de ‘sociaal cultureel vormer’, mits de wijk niet als dogmatisch interventiekanaal gehanteerd wordt.

De commissie Boutellier bracht in 2014 een advies uit over de toekomst van het hoger sociaal onderwijs. In plaats van het woud aan specialistische opleidingen moet er volgens de commissie één integrale sociaal-werk-opleiding komen (volg hier het debat). De bestaande opleiding culturele & maatschappelijke vorming (CMV) – waarmee studenten worden klaargestoomd om mensen met elkaar te verbinden en actief te participeren – dreigt daarbij te verdwijnen. Critici vragen zich af: worden er dan straks nog wel professionals voor de buurt opgeleid? En hoe dan? In deze serie vertellen opleidingsmanagers en docenten van verschillende hogescholen wat zij hiervan vinden.

 

Jaap Ikink is al 15 jaar lang docent aan de sociaal-werk-opleiding van de NHL en hij vertelt gedreven over de positie van de opbouwwerker: ‘Opbouwwerk kampt met een identiteitsvraagstuk. Dat komt doordat tegenwoordig niet alleen welzijnswerkers, maar ook politie en zorgprofessionals werken aan samenlevingsopbouw. Als voorbeeld refereert hij naar een stage-opdracht die een studente verpleging onlangs kreeg. Ze liep stage bij een apotheker die signaleerde dat er in een bepaalde wijk bovengemiddeld veel slaapmedicatie werd gebruikt. Hij vroeg haar om onderzoek te doen naar de achterliggende de oorzaak: of het te maken had met de gehorigheid van huizen, of met slapeloosheid door de hoge mate van werkloosheid onder de bewoners.’

Ikink beschouwt deze verandering in het werkterrein van de samenlevingsopbouw als een positieve ontwikkeling. Het vraagt een andere rol van de toekomstige opbouwwerker: ‘Het is goed om te kijken naar wat die verschillende professionals, die vanuit andere beroepsdomeinen maatschappelijke problemen signaleren, met elkaar verbindt: het tot stand brengen van die verbinding is een taak voor de sociaal werker met interesse in opbouwwerk.’

Geen alwetende sociaal werker, maar samenwerkende disciplines

Vanuit deze visie op interdisciplinaire samenwerking heeft de NHL Hogeschool de afgelopen jaren de opleiding opgezet. Ikink: ‘Wij hebben sinds 2005 al een slag gemaakt om de verschillende opleidingen gezamenlijk programma’s uit te laten voeren. Dat was omdat toen de WMO in zicht kwam en er notities volgden over een breder in te zetten sociale professional. Studenten Pedagogiek, Maatschappelijk werk (MWD) en Cultureel Maatschappelijke Vorming (CMV) werken nu vanuit hun  verschillende specialistische opleidingen samen aan een deel van de onderwijsopdrachten die vanuit de praktijk gestuurd zijn.’

Studenten hebben verschillende interessegebieden

Studenten zijn niet allemaal even blij met deze integrale samenwerking, is iets wat studenten niet altijd bevalt omdat ze verschillende interesses hebben. Ikink legt uit: ‘Een CMV-student wil zich bijvoorbeeld niet met individuele problematiek bezighouden en een MWD-student op zijn beurt vaak niet met cultuur. Toch ontstaat hierdoor wel al een vanzelfsprekende bredere oriëntatie op andere specialismes en dat is belangrijk. Als sociaal werker moet je durven toegeven aan je collega’s dat jij niet alwetend bent: dat wat jij denkt wat er aan de hand is, soms helemaal niet waar hoeft te zijn. Het gaat er om dat de sociaal werker vooral de intentie heeft om een volwaardig ondersteuner van burgers te worden. Daar ligt de De basis voor een succesvolle samenwerking is wanneer het gebeurt vanuit de intentie om een volwaardige ondersteuner van burgers te worden.’

Terug naar de kern van de drie opleidingen

De NHL onderzoekt nog hoe ze de brede sociaal-werk-opleiding in de toekomst wil organiseren. Ikink: ‘We zijn als docenten nog in gesprek over hoe we de profielen willen organiseren. Door de hele discussie rond het thema 'generalist–specialist' (moeten sociaal werkers alleskunners zijn of zich specialiseren in bijvoorbeeld opbouwwerk of individuele hulpverlening?) hebben we hier de afgelopen twee jaar een soort tegenbeweging georganiseerd. We zijn nu weer een beetje terug bij de corebusiness van de drie specialistische opleidingen. Wat niet betekent dat we de adviezen van Boutellier, die pleit voor een generalistische opleiding, negeren, ze zijn alleen achterhaald.’

De wijk biedt kansen voor de CMV’er

Ikink, die het belangrijk vindt dat de identiteit van CMV, waarin sociaal- en cultureel ondernemerschap en welzijnswerk beiden aan de orde komen, behouden blijft binnen de brede-sociaal-werk-opleiding zoals de Commissie Boutellier die voor ogen heeft. Hij ziet daarvoor kans in een profiel dat ‘sociaal werk in de wijken’ heet. Ikink: ‘CMV’ers organiseren en agenderen, anders dan Maatschappelijk Werk studenten, ook vraagstukken die zich op een meso- en macro-niveau afspelen, zoals de belangenbehartiging van mensen met een uitkering. Als je naar de beschrijving van het profiel ‘sociaal werk in de wijken’ kijkt dan gaat het over activering en participatie. CMV’ers leren dit te doen door ondernemend te denken en tegelijkertijd een maatschappelijk vraagstuk aan te kaarten. Het vraagstuk waar ze aan werken is vaak wijkoverstijgend. Maar je kunt de wijk wel nemen als fysieke plek om een probleem aan te pakken. Mensen ontmoeten elkaar in de wijk en maken samen gebruik van de publieke ruimte. Daarom is het een goed startpunt voor bonding en bridging.'

Vergeet andere soorten van community-vorming niet

‘Tegelijkertijd moet je kritisch zijn’, waarschuwt Ikink, ‘en de wijk niet als een dogmatisch interventiekader hanteren, zoals nu soms lijkt te gebeuren. Er moet ook aandacht zijn voor andersoortige community-vorming en andere levensgebieden, zoals bijvoorbeeld digitale netwerken. Als sociaal werker moet je daar op aan kunnen sluiten.’

Ikink ziet de toekomst positief: ‘Het voordeel van het advies voor een brede sociaal-werk-opleiding is dat studenten met verschillende kenmerken – die eerder door verschillende opleidingen werden gescheiden – nu meer met elkaar in contact komen. Hierdoor kunnen studenten Pedagogiek en Maatschappelijk Werk ook iets meekrijgen van een politieke aanpak (bijvoorbeeld het agenderen van rechtvaardigheid, of het beïnvloeden van beleid) die vooral de CMV-studenten kenmerkt.’

Methodisch werken: analyseren, kritisch kijken en verantwoorden

‘Door integrale samenwerking kunnen studenten vanuit verschillende invalshoeken samen programma’s opbouwen’ vertelt Ikink. ‘Alle studenten leren werken met de regulatieve cyclus (je analyseert, stelt een doel, maakt een plan, voert deze uit en evalueert dat). Studenten komen tot een interventie op basis van een grondige analyse. Zo waren er een aantal studenten die voor hun afstuderen een empowermentproject voor meiden hebben ontwikkeld. Na verschillende gesprekken met de doelgroep bleek dat die wel wat meer voice konden gebruiken. Daarom werd geopperd om dat in een theatervorm te doen.’

Betrek je doelgroep bij het kiezen van een methode

Belangrijk onderdeel van methodisch werken is volgens Ikink de dialoog met de burger: ‘Je kunt als sociaal werker evidence based praktijken aanhalen waarvan de werkzaamheid bewezen is, maar je moet daar de doelgroep bij betrekken, die kent de context beter. Studenten moeten daarom leren dat ze niet altijd direct een oplossing paraat hoeven te hebben, maar dat het belangrijker is om het gesprek aan te gaan met de burger en vragen te stellen. Ze moeten zich laten informeren door wat er al bestaat aan kennis: oftewel evidence informed werken. We leren studenten om snel de parate kennis tot zich te nemen. En bij hun analyse laten we ze kritisch kijken naar de keuze voor een bepaalde methode. Het kunnen uitleggen waarom ze het ene model kiezen en niet de ander is een belangrijk onderdeel van de opdracht.’