Platform voor buurtontwikkeling

Stijgt ongelijkheid in armere buurten door meer burgerparticipatie?

Een debat over het effect van inzet op participatie
Foto: Franklin Heijnen
Opinie
afbeelding van Sociale Vraagstukken  
30 april 2016

In arme wijken zijn burgers minder actief. En ook al heeft dat meer te maken met individuele kenmerken dan met armoede of etnische diversiteit, overheden moeten daar wel rekening mee houden als ze voorzieningen sluiten, betogen onderzoekers Erik Snel en Godfried Engbersen. Delftse onderzoekers en Jos van der Lans reageren kritisch en vragend.

De Rotterdamse sociologen Erik Snel en Godfried Engbersen schrijven in ‘Mattheus in de buurt: met burgerparticipatie stijgt sociale ongelijkheid’ op www.socialevraagstukken.nl dat burgers minder actief zijn in arme wijken en dat hierdoor de ongelijkheid zal stijgen wanneer ingezet wordt op burgerparticipatie. ‘Amerikaans onderzoek (William Julius Wilson, Robert Putnam) laat zien dat er in arme en etnisch diverse stadswijken minder burgerparticipatie plaatsvindt dan in meer welgestelde buurten.

Als dat in Nederland ook zo is, dan werkt de actuele trend dat overheden zich terugtrekken uit het sociale domein en steeds meer verwachten van actieve burgers voor armere, etnisch diverse stadsbuurten, extra negatief uit. Juist hier waar de problemen en dus de behoefte aan actieve burgerparticipatie het grootst is, zijn relatief minder mensen maatschappelijk actief.’

Zou dat in Nederland ook zo zijn? Snel en Engbersen deden grootschalig onderzoek in Rotterdam en stelden vast: ‘Respondenten van relatief arme (veel lage inkomens) en etnisch diverse Rotterdamse wijken bleken over het algemeen inderdaad minder te participeren dan respondenten uit meer welgestelde en etnisch homogene (in praktijk veelal autochtone) wijken. Hoe hoger het aandeel lage inkomens en hoe groter de etnische diversiteit in de buurt, des te minder deelname aan vrijwilligerswerk, buurtparticipatie en mantelzorg.’

Lagere participatie hangt af van individuele kenmerken

Dat komt volgens de onderzoekers doordat in deze buurten veel laagopgeleiden, veel allochtonen en veel jongeren wonen die doorgaans minder participeren. Anders dan de Amerikaanse onderzoekers vinden de Rotterdammers echter niet dat die lagere participatie te verklaren is uit armoede en etnische diversiteit. Snel en Engbersen schrijven: ‘De verschillen in burgerparticipatie tussen buurten konden grotendeels verklaard worden door individuele kenmerken van respondenten.’ Vrouwen participeren meer dan mannen, ouderen meer dan jongeren en hoogopgeleiden meer dan laagopgeleiden. ‘Verder bleek dat respondenten met veel contacten in de buurt en die zich met de buurt verbonden voelen, aanzienlijk meer actief zijn dan degenen die minder geworteld zijn in de buurt.’

Noodzaak spoort aan tot participatie

Volgens de Rotterdamse sociologen heeft minder participatie dus niet zozeer met de samenstelling van de buurt te maken als wel met individuele kenmerken. Wel kwam er iets bijzonders aan het licht: ‘Nadat we alle individuele kenmerken van respondenten aan de analyses hadden toegevoegd, bleek opeens dat respondenten uit lage-inkomenswijken meer participeren dan degenen uit meer welgestelde wijken.’ De noodzaak zou in de eerste hoger zijn.

Dan volgt de conclusie: Gemeenten moeten rekening houden met het ‘burgerkapitaal’ bij het sluiten van zorg- en welzijnsvoorzieningen, en juist meer doen in wijken waar weinig ‘draagkracht’ is. Denk aan: ‘Het buurthuis of de bibliotheek hier niet sluiten en niet minder, maar meer wijkverpleegkundigen actief laten zijn omdat je hier minder kunt vertrouwen op de activiteiten en onderlinge zorg van bewoners.’

Want zo concluderen Snel en Engbersen: ‘Voorkomen moet worden dat er weer een klassiek “Mattheüs-effect” ontstaat, dat wil zeggen dat sterke sociale groepen wel in staat zijn om de gevolgen van een terugtredende overheid op te vangen en sociaal kwetsbare groepen niet.’

Reacties

Jos van der Lans vindt dat er een tegenstrijdigheid zit in het verhaal van Snel en Engbersen: ‘In het begin staat: “Hoe hoger het aandeel lage inkomens en hoe groter de etnische diversiteit in de buurt, des te minder deelname aan vrijwilligerswerk, buurtparticipatie en mantelzorg.” Maar dan blijkt verderop, na een nadere analyse: “Anders gezegd: in buurten met veel lage inkomens verrichten bewoners meer vrijwilligerswerk, buurtactiviteiten en mantelzorg dan we op grond van hun individuele kenmerken (veel jongeren, laag opgeleiden, allochtonen enzovoorts) zouden verwachten.”

Van der Lans vraagt om verheldering. Daan Vosskuhler onderschrijft zijn constatering en vult aan: ‘Als de eindbevindingen in het artikel juist zijn, levert dat een opzienbarende breuk op ten aanzien van alle aannames die zeggen dat het vooral de hooggeschoolde middenlagen zijn die zich binnen burgerinitiatieven laten gelden.’

De auteurs schrijven terug

Een reactie van de auteurs volgt, waarin ze hun uitkomsten verhelderen. Snel en Engbersen: ‘In de arme en etnische diverse wijken wonen veel laagopgeleiden, allochtonen en jongeren – groepen die in de regel minder participeren en dat verklaart waarom bewoners minder participeren.’

De auteurs voegen daaraan toe dat de bewoners in minder welgestelde buurten wel meer participeren dan je zou verwachten op grond van hun individuele kenmerken (laag opgeleid, allochtoon, jong). ‘Vooral doordat in deze buurten veel verloedering en andere problemen bestaan.’

Delftse onderzoekers reageren: Het systeem is het probleem

Voortbordurend op het Rotterdamse onderzoek stellen de Delftse onderzoekers Reinout Kleinhans, Wenda Doff, Maarten van Ham, Arie Romein zichzelf een paar dagen later een andere vraag: Zijn bewoners in kwetsbare wijken in staat om de gevolgen van een terugtredende overheid op te vangen? Ze onderzochten of bewonersbedrijven (kleine ondernemingen die door en voor buurtbewoners gerund worden) een antwoord kunnen zijn. Ja, vinden ze, zulke bedrijven zijn veelbelovend, maar er zijn nog wel wat kinderziektes. Een verdienmodel is lastig, en de ambtenarencultuur en hinderlijke regel- en wetgeving werken niet mee.

Ze besluiten: ‘De komende jaren zullen ons leren in hoeverre bewonersbedrijven echt in staat zijn om de gevolgen van een terugtredende overheid op te vangen en maatschappelijke meerwaarde te creëren. Tot die tijd verdienen ze het voordeel van de twijfel en (een betere) ondersteuning.’

Het volledige debat over burgerinitiatieven in rijke en armere buurten is hier na te lezen: http://www.socialevraagstukken.nl/zelforganisatie-in-arme-wijken-geef-bewonersbedrijven-een-kans/

 

afbeelding van Sociale Vraagstukken  

Sociale Vraagstukken

Op www.socialevraagstukken.nl publiceren en debatteren onderzoekers en deskundigen op basis van data en empirie over maatschappelijke kwesties.