Platform voor buurtontwikkeling

Paul Vlaar: ‘Professional en burger hebben elkaar hard nodig om de samenleving leefbaar te houden’

Over opbouwwerk door de jaren heen
Paul Vlaar: ‘Professional en burger hebben elkaar hard nodig om de samenleving leefbaar te houden’

Foto: Movisie

Interview
afbeelding van Martin Zuithof  
7 februari 2017

 

Paul Vlaar (64) begon in de jaren zeventig als opbouwwerker. Hij blikt terug op de positie en de opdracht van opbouwwerkers en trekt parallellen door de afgelopen veertig jaar.

 

Paul Vlaar studeerde in de jaren zeventig opbouwwerk aan de Katholieke Sociale Academie in Enschede. Hij begon zijn loopbaan in de Groningse Tuinwijk, een stadsvernieuwingswijk met zware achterstanden. In 1992 werd Vlaar adviseur bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, de voorloper van kennisinstituut Movisie. Hij hield zich bezig met projecten rond sociale vernieuwing, methodiekontwikkeling en de multiculturele buurt. Later richtte hij zich vooral op professionalisering, beroepenstructuur en beroepsprofielen.

 

Waar staan we nu op het gebied van professionalisering als je terugkijkt op je loopbaan van veertig jaar?

‘Het is allemaal enorm verbeterd. In mijn eerste baan in 1976 in Groningen werd het opbouwwerk uit het club- en buurthuiswerk gehaald en stedelijk georganiseerd, omdat de kwaliteit ervan abominabel was. Buurtbewoners hadden vaak overdreven verwachtingen en die werden niet getemperd door de wijkprofessionals. Ze gingen vaak blindelings achter elk bewonersinitiatief staan. Maar een opbouwwerker is meer dan alleen maar een belangenbehartiger van de buurt. Je moet ook zorgen dat de verschillende geluiden uit de buurt worden gehoord en niet alleen die van één bepaalde groepering. Je moet ook zorgen dat bewoners goed toegerust zijn om te onderhandelen met de corporatie en de gemeente. De nieuwe stedelijke stichting trok ervaren en hoogopgeleide opbouwwerkers aan. Er werd enorm veel aan bij- een nascholing gedaan, zoals trainingen met de probleem-projectmethode.’

 

Is het beroep van sociaal werker niet altijd een zwak beroep gebleven, vergeleken met een arts of een advocaat? Is het beroep de afgelopen decennia wel zoveel sterker geworden?

‘Ik vind van wel. Hoewel de beroepsidentiteit altijd een probleem is geweest, in Nederland nog sterker dan in het buitenland. Het beroep is hulp verlenen op individueel niveau, in groepsverband en op wijkniveau. Zorgen dat mensen uit de problemen komen. De opdracht is om problemen niet vóór mensen op te lossen, maar zo veel mogelijk mét hen. Sociaal werkers moeten eraan bijdragen dat mensen de volgende keer niet weer in de problemen komen, dat structurele tekorten aangepakt worden, en ideaal gezien ook dat mensen zich verder ontwikkelen en zich aan hun achterstandssituatie kunnen ontworstelen.’  

 

Wat plaats jij tegenover het verwijt dat sociaal werkers mensen afhankelijk maken?

‘Als ik terugkijk naar mijn eigen beroepspraktijk, bijvoorbeeld in de tijd van de stadsvernieuwing, waar oude woningen gesaneerd moesten worden, hebben we bewoners daardoorheen geloodst. We hebben bewonersorganisaties opgezet, die gesprekspartners waren van instanties, corporaties en gemeente. Daarmee waren we zo’n zes jaar bezig om tot een opgeknapte buurt te komen. Bewoners waren blij met de nieuwe woningen. Maar bij elke evaluatie kwam ook naar voren dat ze vooral blij waren dat ze hadden geleerd om voor de eigen buurt op te komen. Ze hadden geleerd om met gemeente en instanties in gesprek te gaan. Dat leerproces vinden mensen het allerbelangrijkste.’

 

En heb je dan geen sympathie voor de uitgangspunten van burgerkracht?

‘Ik ben daar wel degelijk voorstander van. Ik ben alleen tegen het afzetten tegen professioneel werk en de stelling dat burgers het beter zelf kunnen. De financiers interpreteren dit al te gemakkelijk als legitimatie voor bezuinigingen op professionals. Je krijgt dan een soort polarisatie tussen de professional en de burger. Terwijl ik denk dat die twee – professional en burger – elkaar keihard nodig hebben om de samenleving leefbaar te houden.’

‘Ik ben in Engeland geweest en daar zie je dat vanuit de Big Society-ideologie van Phillip Blond het hele welzijnswerk is afgebroken. Alles is gedecentraliseerd en het geld is eruit getrokken, mensen moeten het weer zelf doen. Er ontstaan dan wel weer allerlei kleinschalige initiatieven voor bestrijding van armoede en eenzaamheid. Of voor behoud van voorzieningen, bijvoorbeeld een sporthal die de buurt zelf in beheer neemt. Dat ziet er zo op het oog goed uit, maar vraag je: “Als je het nu vergelijkt met het sociale werk van vroeger?” dan zeggen ze: “We bereiken nog geen 10 procent van de mensen van tien jaar geleden.”’

 

'Dat boek van Hans Achterhuis is helemaal fout geïnterpreteerd'

 

 

Zie je dit soort ontwikkelingen in Nederland ook?

‘In Nederland mogen we de handen nog dichtknijpen. Er zijn hier ook veel burgerinitiatieven zoals buurthuizen in zelfbeheer die goed draaien. Die zijn er altijd geweest. Daar zitten ook risico’s aan. Toen ik in Nijmegen begon, waren alle buurthuizen in het beheer van de bewoners. Op heel veel plekken ging het goed, op sommige ging het faliekant mis. Conflicten tussen bewoners onderling liepen nogal eens uit de hand. De een vond dat het meer een buurtcafé moest worden, de ander dat het meer een educatief centrum moest zijn. Die conflicten liepen soms zo hoog op dat ook weleens iemand de fik erin stak.’

‘De gemeente Nijmegen nam toen de wijkaccommodaties zelf in beheer. Er kwam professioneel beheer, een conciërge en een schoonmaakploeg en vervolgens kon het als multifunctioneel buurtcentrum weer draaien. Vervolgens werd de eis gesteld dat er minimaal twee beheerders tegelijk aanwezig moesten zijn. Daar was dan weer geen geld voor, met als gevolg dat het buurthuis de helft van de week weer dichtging. In sommige buurten zit dan zo veel kracht dat de buurtbewoners zeggen: “Als jullie het sluiten, nemen wij het weer over.” Die regelen het dan weer met vrijwilligers, kortom met burgerkracht, maar in andere buurten gebeurt er dan niks. Dan krijg je toch wel een zekere willekeur.’

De overgang van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij gaat veel te rigoureus. Dat is in het sociaal werk altijd gebeurd. Het Opbouwwerk Bijzondere Situaties bestond uit wijkteams zoals die nu ook weer zijn opgezet, maar dat moest afgebouwd worden. Iedereen moest weer terug naar een stedelijke moederorganisatie. Het beleid slingert steeds heen en weer.’
 

Waardoor laait die discussie over het nut van het welzijnswerk in Nederland dan steeds weer op?

‘Ik wijt het aan het Achterhuis-syndroom. Maar Achterhuis richtte in De markt van welzijn en geluk zijn pijlen vooral op het afhankelijk maken van therapeuten en maatschappelijk werkers die de therapeutische kant op wilden. Hij ageerde niet tegen de buurtmaatschappelijk werkers, die wel toegankelijk waren voor buurtbewoners. Dit boek is helemaal fout geïnterpreteerd. Hij zei: je moet veel meer werken aan empowerment en emancipatie. Bij de bezuinigingen van de jaren tachtig werd het dankbaar aangegrepen als rechtvaardiging.’

 

Zijn de grote schommelingen in het debat over welzijn en sociaal werk niet ook het gevolg van het ontbreken van een wetenschappelijke onderbouwing?

‘Als je naar Amerika kijkt, wordt elk experiment, bijvoorbeeld het van de straat halen van daklozen, begeleid met wetenschappelijk onderzoek om zo’n experiment te evalueren. Ik zou heel erg voor een leerstoel voor het sociaal werk zijn. Er is veel meer langdurig onderzoek nodig naar wat de effecten van sociaal werk zijn.’

 

Dit interview is een ingekorte versie van het interview dat eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken verscheen.

Martin Zuithof is freelance journalist.

 

 

afbeelding van Martin Zuithof  

Martin Zuithof

Ik ben Martin Zuithof, journalist op het terrein van stedelijke ontwikkeling, sociaal werk, welzijn, zorg en sociale vraagstukken. Ik schrijf artikelen, verzorg publicaties en werk als eindredacteur.