Platform voor buurtontwikkeling

HBO-opleidingen focussen teveel op individuele hulpverlening

Interview met Stefan van Teeffelen en Ina Tilma, docenten
Collectivering van individuele problemen lijkt ondergesneeuwd in brede sociaal-werk-opleidingen
Interview
afbeelding van Redactie  
23 maart 2016

Op Avans Hogeschool in Den Bosch hadden ze last van de identiteitscrisis van Culturele en Maatschappelijke Vorming (CMV), alsof de studie allegaartje zou zijn van kunst en cultuur, festivals en opbouwwerk.

De commissie Boutellier bracht in 2014 een advies uit over de toekomst van het hoger sociaal onderwijs. In plaats van het woud aan specialistische opleidingen moet er volgens de commissie één integrale sociaal-werk-opleiding komen (volg hier het debat). De bestaande opleiding culturele & maatschappelijke vorming (CMV) – waarmee studenten worden klaargestoomd om mensen met elkaar te verbinden en actief te participeren – dreigt daarbij te verdwijnen. Critici vragen zich af: worden er dan straks nog wel professionals voor de buurt opgeleid? En hoe dan? In deze serie vertellen opleidingsmanagers en docenten van verschillende hogescholen wat zij hiervan vinden.

 

We ontmoeten Stefan van Teeffelen en Ina Tilma in een voormalig verzekeringskantoor dat op loopafstand van de campus ligt en nu dienst doet als lesgebouw.

Stefan van Teeffelen is al 16 jaar verbonden aan de CMV opleiding van Avans Hogeschool en is daar nu 5 jaar opleidingsmanager. Anders dan de Haagse Hogeschool waar studenten niet alleen leren over samenlevingsopbouw (zoals Mieke Klaver vertelt in dit interview) koos Avans Hogeschool vijf jaar geleden al expliciet voor opbouwwerk: ‘De opleiding was te rommelig en divers: ging het over jongerenwerk, dan waren studenten ontevreden omdat het niet over kunst ging en andersom. Daarom hebben we ervoor gekozen om samenlevingsopbouw als overkoepelend thema te nemen. Kunst, cultuur en sport krijgen hierin alleen ruimte als het bijdraagt aan samenlevingsopbouw. Verder richten we onszelf specifiek op de kwetsbare burgers. En in de gevallen dat we ons richten op niet-kwetsbare burgers, dan doen we dat alleen als dit ten dienste komt van die kwetsbaren. Dus de kapstok is: de kwetsbare groepen, lokaal werken, sociale leefbaarheid. Samenlevingsopbouw is hier geen vies woord en opbouwwerk al helemaal niet. Daar lijkt het bij andere hogescholen af en toe wel een beetje op.’

Opbouwwerkers moeten voor hun vak staan

Ina Tilma werkt als docent bij Avans Hogeschool. Ze vertelt over haar ervaringen in het werkveld: ‘Ik miste in de praktijk bij opbouwwerkers een duidelijk profiel: de één deed dit en de ander dat. Terwijl zo’n herkenbaar profiel in de wijken juist hard nodig is om het verschil te kunnen maken. Het is belangrijk dat de opbouwwerkers voor hun vak staan, dat ze weten wat ze kunnen toevoegen. Niet van: ik kan ook een leuk kunstprojectje oprichten, of ik kan iets leuks met sport doen. Want als dat niet een doel dient, ben je voordat je het weet bezig met allerlei leuke projectjes waarbij het onduidelijk is waartoe het moet leiden.’

Op dit moment volgen de studenten bij Avans Hogeschool nog steeds de verschillende specialistische opleidingen. Gezamenlijk wordt een visie gevormd over de invulling van de toekomstige brede sociaal-werk-opleiding. Van Teeffelen: ‘In veel sociaal werk opleidingen lijkt het collectiveren van individuele problemen, en de preventieve en wijkgerichte participatiebevordering ondergesneeuwd te raken. Daarom ben ik heel blij dat we dat gedachtegoed stevig hebben verankerd in onze position paper. Participatiebevordering begint niet met het oplossen van problemen, maar met het creëren van kansen. Om het even plat te zeggen: individuele problemen als uitgangspunt nemen is toch meer wat aangeleerd wordt in MWD (red. Maatschappelijk Werk en Dienstverlening) en SPH (red. Sociaal Pedagogische Hulpverlening).

Teveel aandacht voor individuele problematiek

Tilma: ‘Het is belangrijk dat het collectieve perspectief (waarin niet het individuele probleem van de cliënt aanleiding is maar het gemeenschappelijke, red.) in de toekomstige brede sociaal-werk-opleiding niet naar de achtergrond raakt. In het rapport Meer van Waarde van de commissie van Hans Boutellier (waarin geadviseerd werd over de toekomst van het Hoger Sociaal Agogisch Onderwijs, red.) lazen we een analyse die heel sterk gericht was op de netwerksamenleving en participatiebevordering, maar in de uitwerking kwam daar weinig van terug. Daar staat bijvoorbeeld in: ‘Het integraal sociaal werkprofiel beschouwt de commissie als dat van het Maatschappelijk Werk herijkt met kernelementen van sociaal ondernemerschap en opbouwwerk.’ Wij hadden dat liever andersom gezien; dat juist het opbouwwerk als uitgangspunt zou worden gekozen. Ook vonden we de drie uitstroomprofielen in het rapport (integraal sociaal werk, sociaal werk in de langdurige zorg en sociaal werk in het brede jeugddomein) niet zo goed gekozen. Het sluit onvoldoende aan bij wat er in het werkveld gaande is. Want: wat doe je bijvoorbeeld met de gehandicapte jongeren?’

Sociale wijkteams moeten nog wennen aan collectieve aanpak

Ook in het werkveld wordt nog veel gewerkt op basis van individuele problemen. Tilma vervolgt: ‘Ik was laatst bij een sociaal wijkteam hier in Den Bosch, waarin sociale professionals vanuit allerlei achtergronden zitten, bijvoorbeeld vanuit het maatschappelijk werk en de gehandicaptenzorg. Er zit ook een opbouwwerker bij, maar die was er op dat moment dat ik er bij zat toevallig niet. Ik raakte met hen in gesprek en vroeg hen hoe ze omgingen met het collectief oplossen van een probleem in de buurt. Ik legde uit dat je op een gegeven moment ontdekt: hé, hier is iets aan de hand met eenzaamheid. Want er zijn vijf mensen die eenzaam blijken te zijn. Of: er is hier iets met schulden, iets dat collectief aangepakt moet worden. Ze keken met grote ogen aan: ‘Ik snap niet wat je bedoelt’. Ze zijn gewend om te denken vanuit individuele hulpverlening, terwijl gemeentes juist vragen om een collectieve aanpak. Hier is het gedachtegoed van CMV van belang. Dat sociaal werkers kunnen schakelen en denken: ik hoor nu zoveel mensen die daar en daar last van hebben, is daar niet iets aan de hand of kunnen we daar wellicht een project van maken? Of, we moeten er, in overleg met de gemeente, voor zorgen dat er bepaalde voorzieningen komen.’

Een werkwijze die van (nieuwe) sociale professionals vraagt om voorbij de individuele hulpverlening te denken. Hoe leren studenten dat aan in de toekomstige  brede sociaal-werk-opleiding? Van Teeffelen: ‘We hebben tot nu toe alleen ervaring met een generiek eerste jaar. De grondmethodiek is over de (nu nog) drie opleidingen (MWD, CMV, SPH) hetzelfde. Dat houdt in dat we vanuit de regulatieve cyclus werken: je analyseert een situatie, stelt een doel, maakt een plan, je voert het uit en evalueert het. Wij voegen agogische waarden toe , zoals het  gericht zijn op het zelfredzame vermogen en het dialogisch handelen op basis van gelijkwaardigheid.

’De vraag is hoe we al die studenten meekrijgen in dat collectieve denken.’

In het tweede jaar leren studenten methodisch denken en handelen: dit past bij deze situatie en dit past bij deze visie. Door filosofie en sociologie leren studenten het mensbeeld achter de methodiek kennen en zo ontwikkelen ze hun professionele identiteit. Soms zegt een student eclectisch te werken, als excuus om maar wat doen. Daar nemen we geen genoegen mee. Als ze uiteindelijk afstuderen is het doel dat ze weten te vertellen waar ze voor zijn opgeleid en wat ze kunnen toevoegen.’

Het is volgens de docenten nog spannend hoe dat in de nieuwe opleiding gaat uitpakken. Tilma: ‘Nu ik het eerste jaar achter de rug heb, kan ik de verdeling tussen de drie opleidingen eigenlijk al wel maken. In de nieuwe brede sociaal-werk-opleiding hebben we al die studenten samen. Dan wordt het de kunst om die hele grote groep mensen ook dat collectieve denken mee te geven. Het is gewoon een heel ander soort student die kiest voor dat collectie perspectief. Dat zijn de potentiele opbouwwerkers.’