Platform voor buurtontwikkeling

Generalistisch werken in de buurt kent grenzen

Interview met Marie Louise van Hall, teamleider wijkteam en Erika Meijer, opbouwwerker
Generalistisch werken in de buurt kent grenzen

Foto: Michael Coghlan (Flickr Creative Commons)

Interview
afbeelding van Willeke Binnendijk  
20 juni 2016

In Wormerveer is het sociaal wijkteam, bestaande uit generalistische casemanagers, aangevuld met een opbouwwerker die als spin in het web verbinding houdt met de wijk en daar preventieve voorzieningen opzet. 

 

Sociale wijkteams zijn vooral gericht op het oplossen van problemen van de individuele bewoner. Uit een peiling van Movisie blijkt dat ze er nog niet aan toe komen om outreachend en preventief te werken. Ook het ondersteunen van collectieve voorzieningen gebeurt nog (te) weinig, evenals het organiseren van nuldelijnszorg als buurthulp en informele netwerken. In deze serie vragen we sociaal werkers hun ervaringen te delen.

 

Onderweg van het station naar buurthuis De Lorzie in Wormerveer, een dorp aan de Zaan, wijst een tiener me de weg. Vroeger kwam hij ook in het bijbehorende jongerencentrum. Nu niet meer: ‘Nu zitten er allemaal junkies.’ Sinds de start van de wijkteams is er veel veranderd in het lokale welzijnswerk. Bij aankomst reageert Marie Louise van Hall, teamleider van het wijkteam, op de opmerking van de tiener: 'Er is veel onrust ontstaan toen het jongerenwerk veranderde en het goedlopende jongerencentrum nog maar twee avonden in de week open zou zijn.'

Het wijkteam bestaat met name uit casemanagers die vanuit drie moederorganisaties samenwerken. Deze sociaal werkers begeleiden bewoners voornamelijk één op één om ze weer zelfredzaam te maken. Marie Louise: ‘We sturen aan op zelfregie door te kijken wat mensen nodig hebben om zich gezond te voelen op zowel lichamelijk als geestelijk niveau. Naast deze individuele ondersteuning leiden wij de bewoners indien nodig naar collectieve ondersteuning. Collectief als het kan, individueel als het moet.'

Generalistisch werken heeft grenzen

Opvallend is dat in het wijkteam een opbouwwerker en een jongerenwerker werken die beiden juist geen individuele hulpvragen behandelen. Marie Louise: ‘De gemeente wil dat we generalistisch werken, dus dat doen we. Toch hebben we in de onderhandelingen gezegd dat we een jongerenwerker en een opbouwwerker aan het team wilden toevoegen.’

De reden voor deze keuze is dat het inzetten van generalisten niet altijd voldoende is. Marie Louise: ‘Onze generalistische casemanagers hebben door hun caseload geen tijd om problemen als jeugdoverlast, mantelzorgondersteuning en eenzaamheid te analyseren en te doorgronden. Ze kunnen naast hun werklast niet de nodige verdieping inbrengen om hier goede voorzieningen voor op te zetten. Generalisten herkennen eenzaamheid, maar het probleem is dat ze niet kunnen reageren op signalen.' 

Jeugdoverlast en eenzaamheid vragen extra aandacht

Marie Louise vervolgt over het wijkgerichte jongerenwerk: ‘Met de omslag van de Wmo heeft de gemeente ervoor gekozen om het jongerenwerk deels onder de wijkteams te laten vallen. Jeugdoverlast is nog steeds een probleem, daarom willen we daar extra aandacht aan besteden. Onze jongerenwerker heeft een andere rol gekregen dan de jongerenwerker ‘oude stijl’. De huidige jongerenwerker is voorzitter in het buurtjongerennetwerk waar ook de politie, jeugdboa’s, het jeugdteam en de straathoekwerkers onderdeel van zijn. Als er een jongere is met probleemgedrag, dan brengt de jongerenwerker de thuissituatie en het netwerk in kaart. En als het jeugdteam nog niet betrokken is dan legt ze daarmee een verbindingslijntje.’

Ook eenzaamheid vraagt volgens Marie Louise een specifieke aanpak: ‘We willen eenzaamheid integraal en wijkgericht aanpakken. Het lukt de casemanagers niet om een balans te vinden tussen individuele ondersteuning en preventief werken in de wijk. Daarom investeren we in een opbouwwerker. Omdat eenzaamheid een specifieke aanpak, aandacht en kennis vraagt. Ook worden er dit jaar nog presentiemedewerkers in de wijk ingezet om beter preventief te kunnen werken.’

Buurtambassadeur of veldwachter

Erika Meijer is opbouwwerker in het wijkteam en ze schuift aan bij het gesprek. Erika onderhoudt als een spin in het web het contact met de (burger-)initiatieven en de buurtorganisaties die in de vier buurten waarin de wijk is opgedeeld actief zijn. Ze kijkt waar ze burgerinitiatieven kan verbinden met organisaties en verenigingen in de buurt en bouwt aan een informeel netwerk waarin eenzaamheid minder kans krijgt. 

Ook is ze de verbindende schakel tussen de casemanagers en de buurt. Dit betekent overigens niet dat de casemanagers zich niet bezighouden met wat zich daar afspeelt. De casemanagers zijn namelijk in duo’s betrokken bij de vier verschillende buurten als buurtambassadeurs en denken daar mee over hoe de leefbaarheid daar verbetert kan worden. Marie Louise: ‘Op die manier leren zij de buurt beter kennen. Toch is het niet de bedoeling dat de casemanagers alle hulpvragen uit de buurt op zich nemen. De casemanager moet een neutrale positie houden want die heeft met privacygevoelige informatie te maken. Het is goed om te weten hoe het schooltje in de buurt eruitziet en daar feeling mee te krijgen. Ook is het belangrijk dat je als buurtambassadeur, net als de veldwachter vroeger, de sleutelfiguren in de wijk kent, maar je hoeft niet iedereen te kennen.'

Meedoen in de wijk als medicijn tegen isolement

Een andere taak van de opbouwwerker is het organiseren van plekken waar de cliënten van de casemanagers vrijwilligerswerk kunnen doen. Erika: ‘Het is belangrijk om mensen te laten meedoen ín de wijk. Als een bewoner in isolement leeft of kampt met een depressie helpen nieuwe contacten soms beter dan individuele professionele hulp. Bijvoorbeeld een slechtziende cliënt die voor hulp bij het wijkteam kwam. Ze wilde graag iets te doen hebben en is via ons in contact gekomen met een vrouw in een rolstoel die niet alleen gelaten kan worden. Nu helpt de slechtziende vrouw haar en kan de echtgenoot van de bewoner met de rolstoel nu af en toe iets voor zichzelf te doen. Zo wordt een hulpvrager een ondersteuner.’

Die matches tussen bewoners die elkaar kunnen helpen werken positief voor beiden. Maar het organiseren tussen vraag en aanbod kan beter, vertelt Erika: ‘De ideeën er zijn wel maar er is op dit moment niet genoeg tijd om vraag en aanbod praktisch met elkaar te verbinden. Daarom zijn we nu bezig met het organiseren van een dienstensteunpunt in de Amandelbloesem, een ontmoetingsplek die door bewoners gerund wordt. Door vraag en aanbod op één punt samen te brengen is het ook beter te organiseren. We hopen dat het daardoor beter gaat lopen.’

Dat maakt het begeleiden van vrijwilligers een tijdrovende bezigheid. Erika: ‘In het begin staat of valt het met persoonlijk contact. Als ik ze adviseer om te bellen of een advertentie op BUUV (een online platform voor buurthulp, red.) te zetten, dan komt het lang niet altijd van de grond. Maar op een gegeven moment krijgt iemand zelfvertrouwen en dan gaat het vanzelf.’

Al met al loont het om mensen te begeleiden naar vrijwilligerswerk, vinden de sociaal werkers. Erika: ‘Het geeft mensen het gevoel dat ze van waarde zijn. Ze worden gezien en gewaardeerd door andere mensen in de wijk en ze gaan er weer onderdeel van vormen.’ Marie Louise vult aan: ‘Dat laatste is iets wat we met individuele professionele hulp niet kunnen bieden maar het is des te belangrijker voor geestelijke gezondheid en het welzijn.’

 

Dit verhaal is onderdeel van een serie gesprekken met wijkteams over hoe zij aansluiten bij de buurt en hoe zij informele netwerkvorming inzetten. Volgende week vertellen Marie Louise van Hall en Erika Meijer meer over hoe ze het buurtnetwerk verbeteren en op deze wijze eenzaamheid bestrijden.