Platform voor buurtontwikkeling

De historie van het opbouwwerk in Nederland

Van opkomst tot ondergang?
De historie van het opbouwwerk in Nederland

Foto: SP Zutphen (Flickr Creative Commons)

Artikel
afbeelding van Jos van der Lans  
15 februari 2017

Wat is de geschiedenis van het opbouwwerk in Nederland? Het ontstond in Drenthe, stond los van de toen belangrijke zuilen en verloor later zijn neutrale positie. Opbouwwerk is er nog steeds, maar het wordt steeds minder uitgevoerd door opbouwwerkers.

 

Het opbouwwerk in Nederland start in Drenthe, waar de Commissaris van de Koningin in Drenthe, J. T. Linthorst Homan, in 1925 een Commissie voor de ‘Cultureelen en Economische Opbouw van Drenthe’ aan het werk zet. De commissie moest, in de gebieden waar vroeger turf gestoken werd, een beschavingsoffensief op gang brengen met buurthuizen, kinderbewaarplaatsen en bibliotheken. Binnen tien jaar groeide dit uit tot een omvangrijk provinciaal opbouworgaan: de Stichting Opbouw Drenthe met Jaap Cramer als voortvarende directeur. Onder zijn leiding beheerde de Stichting Opbouw Drenthe voorzieningen, stuurde ze professionals aan en organiseerde ze vele vrijwilligers. Eigenlijk was dit de eerste bewuste overheidsinterventie om sociale en economische ontwikkelingen te combineren en te sturen.

Opbouwwerkorganen als neutrale instantie; los van de zuilen

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt elke provincie een Provinciaal Opbouworgaan, dat zich –tegen de achtergrond van de wederopbouw en de gevreesde gevolgen van een snelle industrialisatie – bezighoudt met de planning van gemeenschapsvoorzieningen, het bestuderen van onmaatschappelijkheid en het opzetten van professionele voorzieningen. De opbouworganen presenteren zich, als uitvloeisel van de doorbraakgedachte, als een neutrale instantie, los van de zuilen.

Inspiratiebronnen komen uit de Angelsaksische landen. Bijvoorbeeld het boek van de Canadees Murray Ross Community Organization uit 1955. In Nederland wordt deze methode geïntroduceerd door Jo Boer, in Drenthe de opvolgster van Jaap Cramer (die Commissaris van de Koningin werd), sinds 1951. In 1960 publiceert zij het standaardwerk Opbouwwerk-verkenningen op het gebied van ‘community organization in de Nederlandse verhoudingen.

Jaren '70: Opbouwwerk politiseert in feminisme, milieubeweging en kraakbeweging

In de jaren zeventig komt het onpartijdige, neutrale karakter van het opbouwwerk onder druk te staan. Het vak politiseert en opbouwwerkers verbinden zich meer en meer met ‘nieuwe sociale bewegingen’ als het feminisme, de milieubeweging en de kraakbeweging. De grootscheepse stadsvernieuwing die vanaf het midden van de jaren zeventig de vooroorlogse woningbouw aanpakt, vormt het absolute hoogtepunt in de geschiedenis van het opbouwwerk. Opbouwwerkers zorgen er voor dat bewoners hun zegje kunnen doen en overal in het land worden grootscheepse sloopplannen omgezet in ‘bouwen voor de buurt’. Het tijdschrift Marge (1977 – 1986) wordt de spreekbuis van het progressieve opbouwwerk.

Jaren ‘90: opbouwwerk gaat op in welzijnsorganisaties

De rekening voor de periode van activistische politisering kwam vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, toen opbouwwerkorganisaties grote klappen opliepen als gevolg van de bezuinigingen. In veel steden is de werksoort als afzonderlijke werksoort weggevaagd en ingevoegd in grote welzijnsorganisaties.

In landelijk opzicht werd vanaf 1982 de verdere werkontwikkeling ter hand genomen door het Landelijk Centrum Opbouwwerk (LCO), onder leiding van de energieke oud-opbouwwerker Wil van de Leur (┼ 2007). Zijn inspanningen hebben niet kunnen voorkomen dat de professionele vaardigheden van het opbouwwerk (het organiseren van bewoners, het bevorderen van participatie, het verbinden van bewoners met instituties) in toenemende mate door andere organisaties zijn overgenomen. In 2006 ging het LCO - geheel passend in deze ontwikkeling - op in Movisie.

Steeds minder opbouwwerkers

Zo was de basisgedachte van de Vogelaar-wijkaanpak, het aanspreken van de krachtbronnen van bewoners, typisch een kunstje waar het opbouwwerk zich van oudsher in onderscheidt. Maar velen hebben het kunstje inmiddels afgekeken. Het gebeurt nu ook door: woningcorporaties, door buurtregisseurs, door scholen, door losse projectmedewerkers en door organisatieadviesbureaus. Zo is er langzaam maar zeker rondom het opbouwwerk een paradoxale situatie gegroeid: er wordt steeds meer opbouwwerk gedaan door steeds minder opbouwwerkers. Of het daardoor ook beter gebeurt; professioneler en effectiever, daar kun je wel je vraagtekens bij zetten.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op Canon Sociaal Werk en geschreven door Jos van der Lans, redacteur en initiatiefnemer van de canon. Wil je meer weten over de historie van het opbouwwerk in Nederland?

Lees meer over: