Platform voor buurtontwikkeling

Bewonersinitiatieven: voorbij de pioniersfase

Onderzoek naar ondersteuningsbehoeftes
Voorbij de pioniersfase

Foto: stock (123rf)

Publicatie
17 januari 2019

Hoe houden bewonersinitiatieven het vol in de snel veranderende wereld van beleid en geld? Joke van der Zwaard en Maurice Specht doken in de materie en onderzochten de ondersteuningsbehoeftes van verschillende initiatieven in Rotterdam.

 

Bewoners vullen met hun initiatieven nooit zomaar een bezuinigingsgat, ze hebben ideeën over hoe het anders en beter kan. Ze hebben allemaal hun eigen specifieke doelstellingen en betrokkenheden, en ze hechten aan hun autonomie. Tezamen vormen zij echter een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling, een ‘rebels-optimistische’ reactie op de verschraling en het mislukken van de vermarkting van de sociale sector.

Volhouden

Er zijn genoeg voorbeelden van groepen mensen die initiatieven ontplooien die uit kunnen groeien tot dit nieuwe maatschappelijke middenveld. Maar uit eigen ervaring met (onder andere) Leeszaal Rotterdam West wisten we al dat iets beginnen iets anders is dan het volhouden. Door te kijken naar wat de volhouders doen, ontwikkelen gemeentes en fondsen voelsprieten voor de noden en vraagstukken waar mensen zich – langdurig – voor willen inspannen, hoe zij dat willen doen en hoe zij denken verschil te kunnen maken.

Continuïteitsproblemen van zelforganisaties hebben niet alleen te maken met geld, maar ook met de verantwoordelijkheid voor een publieke plek, de overbelasting van mensen en de moeizame relatie met de institutionele omgeving.

De dagelijkse zorg

Een eigen plek versterkt de identiteit van een organisatie en de sociaal-fysieke infrastructuur van een wijk, maar brengt ook werk en zorgen met zich mee. De inrichting, het open houden, het beheer en onderhoud, zorgen voor een goede sfeer, en het bekend, zichtbaar, toegankelijk, gastvrij en veilig maken van een plek is dagelijks (vak)werk.

De Leeszaal wil een plek zijn waar mensen ook zomaar met een krantje tussen de mensen kunnen zitten. Dat trekt ook ‘dagverblijvers’ aan, waaronder mensen ‘waar iets mee is’ en die onaangenaam onvoorspelbaar zijn. Vrijwilligers reageren daar verschillend op en coördinatoren krijgen er soms buikpijn van. Expertise van buiten, bijvoorbeeld uit het zakelijke netwerk van fondsen, kan zelforganisaties helpen om de ingesleten vanzelfsprekendheden bijvoorbeeld te zien en bespreekbaar te maken.

Tot slot, de plekken waar bewoners iets kunnen beginnen, zijn meestal geen A-locaties. Integendeel. Het cynische is dat nu de bouw weer aantrekt, de verwaarloosde en inbraakgevoelige plekken weer interessant zijn voor ontwikkelaars. Hierdoor zijn initiatieven gedwongen ergens anders opnieuw te beginnen of meer huur te betalen.

’De organisatorische sterkte van zelforganisaties zit in... het werken met wat zich voordoet en wat voorhanden is’

Inspiratie en improvisatie

Toch gaan de initiatieven door. Dat vrijwilligers het zo lang vol houden, ook met elkaar, heeft te maken met hun inhoudelijke gedrevenheid en de vrijheid om hun eigen ding te doen. De organisatorische sterkte van zelforganisaties zit in het informele en in bricolage: het werken met wat zich voordoet en wat voorhanden is. Er is ruimte voor nieuwe initiatieven en om dingen uit te proberen. Daardoor komen er steeds mensen bij en blijft het voor iedereen interessant.

Foto: Tineke de Lange

Opgebouwde routines en duidelijke verantwoordelijkheden geven rust. Tegelijkertijd zie je mensen ongevraagd taken op zich nemen. De computers op Linux zetten, het plein schoonvegen en winkelfolders bestuderen om de goedkoopste koffie in te kopen. De initiatiefnemers doen veel coördinerend werk, overbelasting ligt op de loer. Een betaalde (vak)kracht lijkt dan een logische oplossing, maar is dat ook zo?

Voor specifieke taken, zoals hoofdtrainer, terreinbeheerder of organisator van specifieke activiteiten werkt betaling goed. Met betaalde coördinatoren zijn minder goede ervaringen: ze komen en gaan, ze worden hoofdpersoon in conflicten of struikelen over hun financiële verantwoordelijkheden. Organisatorische en motivationele problemen lijken samen te hangen met gebrek aan programmatische overeenstemming. Een dramaturg, een soort inhoudelijke procesbegeleider die zowel naar het geheel als naar de verschillende rollen kijkt, zou wel eens beter kunnen helpen. Wat niet wil zeggen dat onbetaald werk een heilig principe zou moeten zijn in zelforganisaties.

Dansen met instituties

Sommige zelforganisaties zoeken aansluiting bij bestaand beleid en gevestigde instituten. Andere proberen zo veel mogelijk afstand te bewaren. Weer andere hebben voor noodgevallen een rijtje telefoonnummers van belangrijke mensen in hun smartphone. Het schuurt eigenlijk altijd.

Zelforganisaties doen zaken die op het takenlijstje van professionele instellingen staan, maar vallen buiten het aanbestedingscircuit. Door – uit financiële nood – te innige aansluiting te zoeken, kunnen ze zichzelf kwijtraken en vrijwilligers weggeschoven worden door ‘turvende’ professionals. Dat was de harde les van een buurthuis in zelfbeheer.

Door ook ‘verplichte’ vrijwilligers aan te nemen, doen ze het feitelijke (re)integratiewerk, maar ze krijgen er niet de erkenning - noch de betaling - voor. Zo is er veel geld voor talentontwikkeling van jongeren op Zuid, de kleine culturele ondernemingen in de Afrikaanderwijk hebben de contacten en aanbod, maar het geld gaat automatisch naar de grote instellingen. En de combinatie van sportieve en maatschappelijke ambities van de twee sportclubs is exact wat de gemeentelijke dienst Sportsupport nastreeft, maar het past niet altijd op het formulier.

Autonomie en andere knelpunten

Het knelpunt heet autonomie. Bewonersinitiatieven/zelforganisaties nemen geen overheidsopdrachten aan, ze zijn niet aan te sturen, en vaak niet uit te rollen. Je moet ze op hun eigen merites beoordelen, de moeite nemen om te ontdekken welke betekenis ze voor wie (willen) spelen en hoe hun aanbod en werkwijze mogelijk een (leerzame) aanvulling zouden kunnen zijn op bestaand of nog te ontwikkelen beleid.

’Dat deze initiatieven ooit volledig zelf-bedruipend kunnen zijn, is een illusie’

De combinatie van vaste lasten en onzekere inkomsten (veelal een gestapelde inkomstenstroom bestaande uit subsidies, opbrengsten uit verhuur, donaties en kleine verkoop) zorgt voor stress. Men houdt de dagelijkse kosten laag door veel zelf doen en kritisch inkopen, maar door hoge kosten voor vastgoed, eventueel personeel en energiekosten zal er altijd geld van derden bij moeten. Dat deze initiatieven ooit volledig zelf-bedruipend kunnen zijn, is een illusie. De verschillende plekken leven niet boven hun stand, wel boven hun macht. Ze moeten meer doen dan ze aankunnen, ze moeten zich in allerlei bochten wringen om het geld binnen te halen en dreigen zichzelf onderweg te verliezen. Misschien moeten we ons afvragen welke lasten we waar leggen.

Moet je deze – als ze dan toch nooit helemaal zelf op te brengen zijn – wel bij initiatieven laten liggen? Of zouden fondsen en gemeenten, die deze lasten vaak op zich nemen, deze onderdelen ook over kunnen nemen?

 

Joke van der Zwaard en Maurice Specht zijn zelfstandig onderzoeker en de initiatiefnemers van de Leeszaal Rotterdam West. Download het complete rapport van hun onderzoek: Voorbij de pioniersfase van bewonersinitiatieven.

afbeelding van Danielle van Oostrum

Danielle van Oostrum

Ik werk als communicatieadviseur bij Movisie. Voor Buurtwijs verzorg in de webredactie, onderhoud ik het Facebookaccount en maak ik de nieuwsbrieven.